Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grepen eerzucht u aanspoort, het ia omdat ik aidder voor de gevolgen, welke zij voor Friesland kannen teweegbrengen. Ik weet, dat gy er u niet over bekommert, of uw beklag een vredebreuk doet ontstaan: dat gii zelfs niets wenschelijker zoudt achten dan een oorlog tegen den Graaf; doch ik weet tevens, dat het ons niet geoorloofd is, om ter voldoening aan bijzondere wenschen en inzichten de fakkel der verwoesting in ons vaderland te brengen en alle onze landgenooten in een wis verderf te storten."

„Gij verkiest dus des Graven boeien, welke hij niet eens meer de moeite neemt van te vergulden, boven de vrijheid?" zeide Adeelen.

Aylva haalde zuchtend de schouders op: „ik zie, waarde Seerp!" zeide hij^ „dat uw ontmoeting van heden u van alle kalmte en bedaardheid heeft ontbloot: en die zijn echter noodig wanneer men een zoo gewichtig onderwerp bepraat: — wij zullen dus hier liever afbreken. Ik ga mij kleeden, ten einde vaardig te zijn om aan des Graven noodiging te voldoen. Vaarwel!"

Met deze woorden rees de Olderman op en begaf zich uit de kamer^ een voorbeeld, dat terstond door den Abt gevolgd werd, die weinig lust gevoelde om den woordenstrijd met zijn nalsstarrigen ambtgenoot te vervolgen. Adeelen bleef dus alleen met vader Syard.

Deze stond bedaard, met de armen kruiselings over elkander geslagen, den onstuimigen jongeling aan te zien, die, in zijn leunstoel neergezonken, met de beenen uitgestrekt en de vuisten krampachtig gesloten, scheen te zullen stikken van woede. Eindelijk sprong Adeelen met woestheid op, ging vlak voor den monnik staan en zag hem met fonkelende oogen aan.

„Ik achtte u een echten Fries, monnik!" zeide hij.

„Ik heb niets gedaan, voor zooverre ik weet," zeide vader Syard, twaarmede ik dezen naam zou verbeurd hebben."

„Gij," vervolgde Adeelen, „gij, die mij aanspoordet vrede te maken met den Abt van Lidlum, ten einde de Hollander geen gebruik zon maken van onze verdeeldheden! gn, die mij den raad geeft, mij met de Vetkoopers te verzoenen en de wapens niet te gebruiken dan tegen onzen algemeenen vijand, gij weigert een vertoog voor mij op te stellen, hetwelk niet nalaten kon een gewenschten oorlog teweeg te brengen."

„Gelooft gij dan," zeide de monnik, „dat uwe mede-afgevaardigden dat vertoog zonden hebben willen goedkeuren? Zoo gij waant op een dergelijke wijze het doel te bereiken, waar gij naar streeft, bedriegt gn u zeiven. Of waant gij in staat te zijn, afleen met uwe bloedvrienden en volgeren, de HoQandsche macht te weerstaan?"

„Gansch Westergoo zal de wapens opvatten, zoodra ik het zwaard Mtbloot!"

„Dat valt nog te betwijfelen," hernam vader Syard: „doch zeker lis het, dat noen de Camminga's, noch de Martena's, noch de Beyma's, noch een der vrienden van Avlva de hand zullen verleggen, wanneer zij vernemen, dat het niet de zaak van Friesland, maar den b\jzonderen wrok van Seerp Van Adeelen geldt. En wat zal dan het

Sluiten