Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan een menschelhk wozen toebehoorde; want ik zou gaarne kennis maken met de zangster: en met engelen of heiligen ware ik misschien minder op nnjn gemak; — doch hoe komt zulk een virkikkers? 80ze p r Pr°mPe Friezen? — de nachtegaal bij de

„Spreek mij niet van die Friezen. — Hoe kunt gij mijn zoete v"zu,k' ...

»Pm " ?es te beter het dwaze uwer opgetogenheid te doen gevoelen. Wie weet, die zangster is wellicht eene dier logge, rondwangige, flauwoogige, plompe Priesche deernen, waar gij hedenmorgen niet» van wildet liooren."

®en®ndcr waart dan Deodaat," zeide Reinout, half boos en half lachende, .zou ik u uitdagen tot een gevecht op leven en dood, dat gij zoo kwalyk spreekt van iemand, die ik van heden af voor mijne jonkvrouw verkies."

„Des te beter," zeide Deodaat: .want wij zouden ook geen tijd voor een kamp hebben, vermits de Friezen hun middagslaap'e schijnen gedaan te hebben; althans daar komt er een naar ons toe In waarheid! die schijnt iets menschelijks te bezitten! Ik geloof waarachtig, dat hi) een beschaafd voorkomen heeft."

Hij bedroog zich niet; want het was de Heer van Avlva, die in een donkerkleurig gewaad uitgedost, dat de waardigheid zijner houn?r noë beter deed uitkomen, naar hen toetrad.

„Het doet mij leed, edele Ridders!" zeide hij: „dat de onwetendheid, waarin wij verkeerden, dat ons verblijf door u niet een bezoek

ve?veVeTdeehrebbT"en' ** gij U eenigen tijd Zult

„O! wat dat betreft," zeide Deodaat haastig: „wij hebben ons pen oogenblik verveeld; — gij bezit hier voortreffelijke middelen tot tijdkorting. — Hier trapte hem Reinout op den voet om hem te doen zwijgen.

„Ik heb," vervolgde Aylva, „den dienst vernomen, welken gij aan miin reisgenoot en aan een mijner dienaars bewezen hebt: en ik bid u, de betuiging mijner oprechte dankbaarheid aan te nemen, 'tls door dergelijke hulpbetooningen, dat de wederzijdsche vriendschap tusschen Hollanders en iriezen meer en meer zal bevestigd woren dat onze taak, welke daarheen leiden moet, aangenaam en gemakkelijk worden zal."

De twee jongelingen zagen elkander aan, als verwonderd over zooveel minzaamheid en beschaafdheid bij een Fries.

„Maar ik mag u niet langer ophouden," zeide Aylva: „zijt zoo goed mij naar het binnenplein te volgen, waar mijn mede-afeevaaraigdeu u reeds verwachten."

De Ridders volgden op deze uitnoodiging den Olderman, doch met zonder meermalen om te zien naar het raam, waaruit het lied zien had doen hooren; evenals scholieren, die een poppenkast niet aan schoorvoetende verlaten, wanneer het uur van schooltijd slaat, vergeets! niets deed zich aldaar bespeuren en zjj moesten voor

Sluiten