Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun spel voor een oogenblik te staken, zich vergenoegden met den Jf nezen een nieuwsgierigen blik toe te werpen, en, voor zooverre in de nabijheid stonden, hen met een korten, doch wellevenden groet te verwelkomen. Dit onthaal, hoewel zonder plichtpleging, was politiek en door den Graaf voorgeschreven. Men wilde bij de afgevaardigden de overtuiging doen ontstaan, dat zij, als goede vrienden en bekenden, zonder complimenten ontvangen werden, en behandelde hen als _ zoodanig. Een enkele der aanwezigen, die het ambt van ceremoniemeester scheen waar te nemen, kwam uit den drom te voorschijn, en sprak de afgevaardigden aan: „het heeft den Graaf seer leed gedaan, zeide hij, „u hedenmiddag niet ter maaltijd te kunnen hebben; maar het is hier buiten slecht ingericht tot het geven van gastmalen: — in 't laatst der week hopen wij er hier echter een te geven, waartoe de voorbereidselen gemaakt worden. — Ik zie, geloof ik, hier den edelen Aylva," (eene buiging) -den waardigen Abt van Sint-Odulf," (eene buiging) „den doorluchten afstammeling van Frieslands koningen," (eene buiging). „Zoo gij, mijne Heeren! u, zoolang de Graaf niet hier is, met ons gezelschap wilt vergenoegen, en een glas echten gekruiden wijn met ons drinken, zal het ons tot eer strekken. Wij ontvangen u gul en vrij: — morgen is het de dag der plichtplegingen."

Hij, die deze woorden sprak, was een man van middelbare gestalte, en naar het scheen tusschen de dertig en veertig jaren oud: zijn Houding was edel en vrij: zijn toon was kortaf, als van iemand die gewoon is in t veld bevelen te geven: zijn tongval eenigszins uitheemsch. Zijn gelaat, door de zon geroost, kondigde iemand aan, me nimmer tochten of vermoeienissen geschroomd had, en zijn sprekende oogen een fiere hooghartigheid. Wat zijn kleeding betreft, die was hoogst eenvoudig en bestond, evenals «Be van de meeste aanwezigen, uit een groen buis met mouwen, dat op de dijen afhing, om het midden gesloten en met bonte randen voorzien was: een kleine kalot, van rood of geel laken, met een klep van achteren, en van boven met een topje voorzien, waarvan zij den naam van toppermuts had, bedekte het hoofd tot over de ooren: een vest en hozen van dezelfde kleur en stoffage, benevens zwarte tootschoenen, maakten de verdere dracht uit der aanwezige boogschutters.

„wij zijn gevoelig aan de beleefdheid, welke men ons bewüst," zeide Aylva tegen den edelman, die het woord gevoerd had: „een rond en gul onthaal is ons het aangenaamst: en het zou ons spijten, 1®mand om onzentwil plichtplegingen maakte."

„dij öinwxicoiaas: zeide Adeelen halfluid tegen den Abt:

n nna rnnn aati -l i._ 1 i „ ...

l j x iT V—i ucuuuiu tegeii ueu adi: .men

had ons toch een betere plaats kunnen geven dan onder stalknechten en JÏÏ5ers> z°o&ls dit volkje schijnt."

„Wat dat betreft," zeide lachende de edelman, die deze aannnwHn» gehoord had, „stel u gerust daaromtrent. Gij ziet hier al wat onze adel luisterrijks bezit: dio nu den boog spant is de Heer van Lignv: naast hem, de Heeren van Walcourt en Antogne: Henegouwen bezit 8®en k'oeker ridders dan deze drie Baanrotsen: die jongeling met *gn blonden kroeskop is de Heer van Brederode, en die met hem

Sluiten