Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE HOOFDSTUK.

Tot a koom lek om balp, vermits u swarte flessen Oaen dieper In gespooclt als alle toveressen.

Wat lek u bidden magb, laat my door uwe gunst Eens slen, tot myn gerief, de krachten Tan de kunst.

Cats. Spoock-llefde.

Het was in den tijd, waarin onze geschiedenis voorviel, ja nog wel later, geene ongewone zaak, dat reizende zangers, vinders, meistreels of potsenmakers ter verkorting der middaguren bij groote Heeren werden ontboden: en noch 1'lncomparabile noch zijn hansworst, noch zijn aap, betoonden dus eenige verlegenheid, toen zij zich door een daartoe afgezonden page voor het edel gezelschap op het grasperk gevoerd zagen. De kist, door de kunstenaars medegebracht, werd nu ontpakt: al de aanwezigen plaatsten zich op last der Gravin in een _ wijden kring en ontvingen stipt bevel, de te verrichten toeren niet te storen, noch den kokeier te nauw op de vingers te kijken en hem zijn geheimen af te neuzen, want de Gravin behoorde tot die lieden, welke, niet vlug zijnde om het fijne van een kunstgreep te vatten, daarom juist niet gaarne zien, dat anderen die beter begrijpen dan zij.

Zoodra de toestel in behoorlijke orde gebracht was, begon de hansworst, na een diepe buiging, een treflijke redevoering, waarin hij de schoone Gravin en haren doorluchtigen Echtgenoot boven alle andere vorsten van Europa verhief, en er breed van opgaf, dat de beroemde Barbanera zich alleen de verre reize naar Holland getroost had, om in de tegenwoordigheid van den Graaf aller Graven en den Veldheer aller soldaten gebracht te worden.

.Een fraaie aanspraak!" zeide de Aartsbisschop van Trier tegen de Gravin, toen de nar algemeen werd toegejuicht: .jammer maar, dat ik die op mijn doorreize woordelijk door den spreker heb hooren opsnijden aan het Hof van Gelder, alleen met verandering van namen en titels."

„Onze waarde neef van Gelder zal zich toch niet beroemen dat hij nu reeds de Hertog aller Hertogen is, tenzij hjj het sedert een

Èaar dagen geworden zij," antwoordde de Gravin, doelende op de [ertogeujke> kroon, welke den Graaf van Gelder geschonken was, en die zij wist, dat door haren gemaal geweigerd zou worden.

Onderscheidene toeren, door de drie kunstenaars met een gelukkig gevolg ten uitvoer gebracht, droegen, meer nog dan de aanspraak, ae algemeene goedkeuring weg, welke echter, om een echt grammaticale spreekwijze te bezigen, aan den kwakzalver in den stelligen, aan den alwillensdwaas in den vergelijkenden, en aan den aap

Sluiten