Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wachters genaderd: deze was tegen een klein duintje gelagen, en van den zijweg, waarop de vrienden zich bevonden, afgescheiden door een scherm elzenhakhout en door twee zware wilde kastanjeboomen, die thans in vollen bloei stonden, en tusschen welke hot P , 2. r,. y,ars door het hakhout naar den ingang der woning geleidde. De Ridders stegen af, en terwijl Reinout de paarden aan den boomstam bond, begaf zich Deodaat naar de hut, om den boschwachter of iemand der zijnen te roepen, ten einde bij de paarden te blijven en die te bewaken, zoolang zij op hunne ontdekkingsreis uit waren.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

O hemelt Ja! dn» w»a haar spraak, haar tred, haar wezen: 4) » het.

Alslre.

Daar de denr half aanstond, behoefde Deodaat zijn komst door klop aan te kondigen, maar trad onverhinderd binnen. Het verblijf van walger bestond uit een vrij ruim vertrek, waarvan een derde was ingenomen of overdekt door den wijd vooruitstekenden schoorsteenmantel, binnen welks omvang een paar zijden spek, eenige gevilde en ruige konijnen en een menigte netten en viscnwant hingen te drogen. Een tafel van ruw hout, die nabij het venster stond, een paar zitbankjes en jachtgereedschappen van allerlei vorm en gebruik, maakten de eenige meubelen uit, waarmede overigens dit verblijf was voorzien.

De zon was sedert een geruiraen tijd ondergegaan, en de schaduw, welke de breede kruinen der beide kastanjeboomen om zich neerwierpen, had over al de voorwerpen, die zich in de stulp bevonden, een duisternis verspreid, waaraan de oogen van hen die zich binnen bevonden, reeds gewend waren, maar welke Deodaat, die van buiten kwam, belette, den vorm of de kleur van eenig ding duidelijk te onderscheiden. Alleen de smeulende gloed van een paar kluiten afgestoken derrie, die op den haard lagen, wierp een flauwen schemerschijn om zich heen, en deed al de voorwerpen op eene nog ongewisser en fantastischer wijze uitkomen.

Het eerste, wat onze Ridder bij het inkomen bespeurde, was eene aan de tafel zittende gedaante, welke h^j voor de vrouw des boschwachters hield, en die een pak, dat naar een kind geleek, op oot had. Zonder verder rond te zien naderde hii dit vrouwelijk wezen:

«vrouwtje! zeide hij: „kunt gij of uw man even buiten komen om onze paarden vast te houden?"

De gedaante hief het hoofd op met een half versmoorden kreet

Sluiten