Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een der onderzaten van Graaf Willem nog met uwe hulp gediend zal wezen na al de ellenden, die gij hem en zijn huis voorspeld hebt? Verbeeld u, Pater!" vervolgde hij tot den monnik: „dat deze kwakzalver de stoutheid heeft gehad, hedenavond, ter belooning der gunst, waarmede hij op den Vogelesang ontvangen was, niets dan rampen aan onzen Vorst en het daar tegenwoordig gezelschap te voorspellen."

Meester Barbanera haalde de schouders op en hief de oogen opwaarts, als wilde hjj te kennen geven, dat men alleen het gestarnte en niet hem beschuldigen moest. Vervolgens begaf hij zich naar de bedstede en wilde de hand der lijderes nemen om haar pols te voelen, toen Reinout hem bij den kraag vatte en terugtrok.

„Waag het. niet haar aan te raken," zeide hij op een gramstorigen toon, „zoo gjj niet begeert dat wij terstond den eersten last aes Graven ten uitvoer brengen en u tot een aas der kraaien maken."

„Gjj zoudt kwalijk doen," fluisterde de kwakzalver hem in 't Italiaansch toe: „gij zoudt daardoor den eenigen man wegruimen, die het geheim uwer geboorte kent."

„Gij!", herhaalde Reinout, in dezelfde, taal, terwijl hij de armen vallen liet. „Welnu," vervolgde hjj, hem in een hoek van het vertrek voerende, „morgen te acht uren wacht ik u hier weder. Den brenger van echte tijdingen zal ik rijkelijk beloonen; maar den bedrieger ernstig straffen: wees daarvan zeker."

„Ik zal. komen," zeide de kwakzalver; „doch onder één beding; gij zegt niets van dit aan uw makker: en gij komt alleen."

De monnik en Deodaat, bezig met de zieke zijnde, hadden niets van dat gesprek vernomen: „Mij dunkt," zeide de eerstgemelde, „dat het alleen aan de lijderes staat om te beslissen, of zij van de hulp des vreemdelings al of niet gebruik wil maken."

„ik.gevoel mij beter," zeide Elske: „en ik hoop dat het zonder medicijnen wel zal schikken; als buurvrouw Machteld bij mij bljjft van nacht; want ik ben doodsbang alleen."

„In dat geval kunnen wij terugkeeren," zeide vader Syard tegen zijn twee gezellinnen; „het voegt ons niet, de Heeren aan 't klooster langer in ongerustheid te laten/'

,Gij zult ons. vergunnen u veilig naar huis te geleiden," zeide Reinout: „het is avond en in de duisternis zoudt gg kunnen verdwalen."

De monnik nam dit aanbod met een stijve hoofdbuiging aan: Madzy hoorde het niet, of deed althans of zij het niet noorde en nam afscheid van de gewonde, haar belovende, den volgenden dag naar haar te komen zien: de kwakzalver werd op een zachte wjjze de deur uitgeschoven en het gezelschap verliet de hut, Elske aan de zorg van buurvrouw Machteld overlatende.

Tiet was nu volkomen nacht geworden, en daar de maan nog niet "*as opgekomen, donker genoeg: zoodat er reeds eenige behoedzaamheid noodig was om den rijweg te bereiken langs het smalle paadje door het kreupelhout, waarop Reinout de anderen voorging, die hem één voor één volgden. Op aen rijweg gekomen, begon men min of

Sluiten