Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer de vormen der dingen te kunnen onderscheiden en Reinout, den kastanjeboom naderende, greep naar den toom van hetgeen hg voor zijn paard hield.

„Dat is mijn paard niet," zeide hij: „is het uw vos, Deodaat?"

Dit zeggende liet hij den toom in de hand zijns vriends glijden en sloeg zijn arm om den nek van een ander viervoetig dier; dan op hetzelfde oogenblik gaven beiden een kreet van verbazing.

„Wilt gij mij dit paard uit de openbaring voor mijn vos verkoopen?" vroeg Deodaat, de hand strijkende over de uitstekende bouten en knoken van het dier, dat hij vasthield.

„Hier heeft tooverij plaats, bij alle duivels!" vloekte Reinout, die, in de plaats van het spiegelgladde vel van zijn zwarten hengst, de stekelharige vacht van een ezel voelde.

„Wat is u toch overkomen?" vroegen vader Syard en de beide meisjes, als uit eenen mond.

„Hier priester! eene bezwering! — het is de booze zelf, die mij in 't aangezicht vaart," brulde Reinout, wien een zwart dier, dat zich van des ezels rug scheen los te maken, in 't aangezicht was gevlogen.

„Cezar! hier!" riep plotseling de stem van den hansworst, die naast de beide dieren, welke hij bewaken moest, zat te dutten, en nu eensklaps opsprong.

„'t Zijn de beesten van den kwakzalver, die wij voor de onzen aanzagen," zeide Deodaat, in gelach uitberstende.

„Schurk!" riep Reinout, den hansworst in den hals knijpende, „wat belet mij u op de plaats te doorsteken?" en meteen hief hg zijn dolk op.

„Foei Reinout, schaam u!" zeide Deodaat, hem terughoudende: „een aap en een nar, zijn dat gepaste kampvechters voor u?"

„Gij hebt fraai spreken," hernam Reinout, zijn dolk weder opstekende, „uw gezicht is niet gelijk het mijne, opengekrabd door dat eatansche beest."

Meester Barbanera, die _ tot nog toe vol angst in het pad terug-

Seweken was, kwam bij dit gezegde voor den dag met een zalfpot, ien hij Reinout aanbood, en welken deze terstond over den kastanjeboom neen deed vliegen, zeggende:

„Loop naar den duivel met uw gesnor. — Waar zijn onze paarden?"

„Dat is waar ook," zeide Deodaat: „met al die gekheid zijn onze paarden nog zoek."

„Ik heb nier bij onze komst niets gezien dat naar een paard geleek," zeide de nar.

„Gij hebt ze gestolen, ellendeling!" zeide Reinout: „beken waar zjj gebleven zijn, of dit oogenblik is het laatste uws levens."

„Bij Sint-Momus!" zeide de hansworst, terwijl hij trillende van angst op de knieën viel: „ik zweer u, mijne goede Heeren, dat zoo hier paarden gestaan hebben, de kaboutermannetjes ze hebben weggehaald, of dat zij op de lucht van meester Cezar gevlucht zijn; want ik heb ze niet gezien en de kokeier kan getuigen "

Sluiten