Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

, «Een fraaie getuige!" zeide Reinout, den armen Barbanera aanziende, die trillende en «iet gevouwen handen tegen den boom stond geleund: „gehangen zult gij worden, paardendieven!"

„Mg dunkt, zeide Deodaat tegen den kokeier: „gij, die een waarzegger zijt, moest ons kunnen vertellen waar zich onze rossen bevinden!"

,'t Is wel een oogenblik van gekscheren," bromde Reinout: „zij mogen zweren wat zn willen, ik zweei hun dat zij er niet heelhuids afkomen, zoo zij de waarheid langer durven verzwijgen."

Hier deed de zachte stem van Mftdzy zich hooren: „Mijne goede Heeren! zeide zij: „deze lieden zijn mogelijk onschuldig. Indien geXcht^n?"1 ge8 hadden, zouden zij er dan niet mede weg-

De juistheid dezer aanmerking en meer nog de uitwerking van Madzys bevallig stemgeluid deed de gramschap van Reinout bedaren, die eenigszins verlegen terugtrad. „De Jonkvrouw heeft gelijk," jeide Deodaat: „en wij moesten ons schamen, haar te laten wachten tot wij onze beesten terughebben. Veroorloof mij, Freule' u den wsg te wijzen." J

„Gij zijt te goed!" antwoordde Madzy: „zoek eerst de verlorene

schapen weer op: wij zullen den weg wel vinden maar wacht

eens! hier wendde zij zich tot de buurvrouw, die met Elskes dochtertje op het gerucht was komen aanloopen: „zijn deze vrouwen en dit meisje niet met den meester gekomen."

w"Zi?friiuist!" merkte de monnik aan: „vrouwtje!" vervolgde hij tot Machteld: „waar hebt gij dien wonderdokter en zijn maat ontmoet?"

antwoord!11 ^ °P 8rooten weë achterop gekomen," was het

?,eide de nar: »w'j kwamen van den Vogelesang."

„/.wijg! zeide vader Syard: „het wordt u niet gevraagd," en, zijn onderzoek voortzettende: „zijt gij met hen tot hier gekomen?"

„Dat bennen wij."

„Waren er twee paarden aan dezen boom gebonden?"

"i? geen b'est gezien? jij al, Marretje?"

„Niets dat naar een paard leek," zeide deze.

?Dan moeten zij vroeger gestolen zijn," zeide Reinout: „want ik oati ze aan denzelfden boom gebonden, waar nu deze ongelukken van beesten aan zijn vastgemaakt."

„Gij kunt er no» de hoeven van bespeuren," zeide Deodaat, „niettegenstaande de duisternis: kom! dat zijn twee zorgen minder op

stal. Het spijt mij; maar men moet zich de wereldsche zaken

feunnen getroosten."

„Ik heb een erger verlies ondergaan, sedert ik u gezien heb," zeide Reinout, zich bij Madzy voegende.

„Waarlijk?" zeide deze: — „gij moet wel achteloos zijn, om zoo alles te verliezen." J

«Kom! genoeg gedraald," zeido Deodaat: „trek in vrede af, meester Barbanera! maar wacht u, hier langer in de buurt te vertoeven. — Jin wii, gaan wij: de Heer van Aylva zal ongerust zijn: en

Sluiten