Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

.Wij zijn u ten hoogste verplicht," zeide Reinout, wien het gezelschap der Friezen niets aanlokkelijks bood, nn Madzy zich verwijderd had: „maar ons bijzijn hier ware wellicht ieder niet even aangenaam: (hier gaf hjj A deel en zijn trotschen blik terug) en wij willen u den avond voor het plechtig gehoor niet hinderlijk wezen. Ontvangt, onzen groet."

Bij het uitspreken dezer woorden boog hij zich, en ging met Deodaat de poort uit.

Stilzwijgend en peinzend wandelden de beide jongelingen den heirweg langs naar Haarlem, en voor de eerste maal was net, dat zij eikanderen de geheime gedachten, die hen vervulden, schroomden mede te deelen. Wat Reinout betrof, hij was jaloersch op zijn vriend. Hij meende bespeurd te hebben, dat Madzy dezen meer gunst en vertrouwen betoond had dan aan hem: hij betichtte zelfs Deodaat zich op een listige wijze bij haar ingedrongen en hem de mogelijkheid ontnomen te hebben van zich nuttig en aangenaam te maken. „Waarom," dacht hij, „moest ik zoolang buiten staan zonder geroepen te worden? Ik had wel tot morgen kunnen wachten, indien ik niet van zelf gekomen ware. Maar mijnheer begreep de kans schoon er te hebben in mijne afwezigheid: — en wat behoefde hij de lamp te houden en de wond te verbinden en zich gedienstig te toonen, anders dan om mij een vlieg af te vangen? Vervloekt zij het zotte denkbeeld, dat ik had, van hem mede te nemen."

„Reinout had liever alleen moeten gaan," dacht daarentegen Deodaat: „want zoo hij werkelijk op die Friezin verliefd is, vrees ik dat het mij te veel moeite zal kosfen, hem in zijn liefde te helpen. Ik gevoel, dat zij een indruk op mij gemaakt heeft, die nooit bij mij door eene vrouw werd verwekt: en zoo ik haar vaak moest zien, zou ik tot de droeve noodzakelijkheid komen van tusschen haar en mijn vriend te moeten kiezen."

Eindelijk echter kon zijn edelmoedige ziel het denkbeeld niet langer verduren van eenige achterhoudendheid jegens zijn wapenbroeder te voeden: „Reinout!" zeide hij: „denkt gij morgen weer naar de hut van Walger te gaan?"

Deze vraag, hoe eenvoudig ook, was zoozeer in overeenstemming met de gedachten, welke Reinout op die oogenblikken bezig hielden, dat zij hem een trilling door het geheele lichaam verwekte.

„Ik weet het niet, antwoordde hij, zoo koel als hem mogelijk was: „maar ja." hernam hij, zich bezinnende: „ik moet er heen: ik moet dien Barbanera spreken, die, zoo hij zegt, van het geheim onzer geboorte onderricht is, en dien ik daar heb bescheiden.

„En gij zeidet mij niets daarvan," hernam Deodaat: „was dat broederlijk gehandeld?'

„uij waart zoo bezig in de hut met uw Friesche schoone, dat ik het te onbescheiden achtte, u te storen: — bovendien moogt gij mijne mededeeling wel op prijs stellen, want Barbanera had mij verzocht, er u niet over te spreken."

„Waarlijk! — nu dan wil ik ook liever van de geheele zaak niets "weten: — öf die kokeier is een bedrieger, wiens eenig doel is, u

Sluiten