Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drongen zich voor zijn geest, en midden daar tusschen zweefde het aanvallige beeld der bekoorlijke Friezin. Somtijds echter kwam er een denkbeeld ra hem op van verwondering over de vreemde gemoedsgesteldheid, waarin hij zich bevond, en vroeg hij zich af, hoe hij er toch op eens toe kwam, om op deze wijze de dolende Ridders na te volgen, van wier liefdegepeinzen in de schaduw van 't geboomte hij meer dan eens de meistreels had hooren zingen; en niettegenstaande hg dan een oogenblik over zijne dwaasheid lachte, was hij toen niet in staat, zich aan de zoete begoocheling, die hem bevangen had, te onttrekken, en Italiaan genoeg om een wellustig genot in dat dolce far niente1) te scheppen. En wat was ook natuurlijker? — hij beminde, zonder het nog zelf te weten: en wie, die eenmaal bemind heeft, weet niet hoe zoet, hoe bedwelmend dat eenzaam mijmeren is, als men, alleen met de schoone natuur, de gansche wereld vergeet: als een onbestemd verlangen het hart doet zwoegen, als een te voren ongekende wellust eiken vezel ontspant en met verkwikkende warmte door alle poriën dringt: en de ziel, met zich zelve en met de schepping in vrede, zich m droomen en gedachten verliest, welke geene dorre wezenlijkheid in staat is terug te geven.

Zoodanig was ook de gesteldheid van Deodaat, toen hij, toevallig tien blik opwaarts slaande, iets boven den hoogsten top van het voor liem liggend duin zag bewegen, dat zijn aandacht tot zich trok. Hii kon met terstond beseffen, wat het zijn mocht, maar weldra bespeurde nij dat het een vrouwelijke gedaante was. welke aan de te<:cn-overgestelde zijde het dum beklom; want hij zag eerst een "hoofd en vervolgens de overige ledematen zich, evenals de goden op het «omemsche valgordijn afgebeeld, boven het duin verheffen: tot eindelek het jonge meisje (want die fijne leest kon slechts aan een jong meisje behooren) geheel op de kruin te voorschijn kwam en daai, met al de levendigheid der jeugd, driewerf opsprong, in de handen klapte, naar alle kanten rondzag als om het omgelegen landschap te beschouwen en toen met eenige drift iemand wenkte, die met een minderen spoed over den rag der hoogte naar haar toekwam. Unze Kidder bleef eenige oogenblikken onbeweeglijk zitten, in die omme verbazing, welke de plotselinge verschijning van een onverwacht voorwerp veroorzaakte; want hij had in die beide duinbeKUmmers de schoone Madzy en haar voogd herkend. Zij van haren kant scheen hem met te bespeuren; althans zij toonde wel den

uil?' u i?an, ^r,e ziJde .gekomen was, de omliggende

andBezichten aan, welke blijkbaar geheel nieuw en verrassend voor

ZZ:ir-Di ?aar 00?,ru!tte niet eenmaal op de plaats, waar JJeodaat, zich bevond. Deze bleef nog eemgen tijd stilzitten; hij voelde wei, dat zijn hart onrustig klopte en dat een sterke stem in zün nnenste hem aanspoorde, de schoone Jonkvrouw te gemoet te gaan: maar de gedachte aan zijn vriend, aan Reinout, weerhield hem.

1) Het liefelijke niets doen.

Sluiten