Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reeds was de kerk gevuld met het aanzienlijk getal genoodigden, toen de klank van trompetten en klaroenen de komst des Graven verkondigde, die kort daarop uit eene der zijdeuren, welke gemeenschap had met het klooster, te voorschijn kwam, voorafgegaan en vergezeld van zijn doorluchtig geslacht en van zijn gewoon gevolg, allen op 't schitterendst uitgedost. Willem zelf, op wens fraaie golvende haren de Gravenkroon prijkte, was gekleedf met een tot op de voeten hangenden tabberd van scharlaken kleur, met gouden boordsels omzet, waarop kostbare gesteenten blonken, en droeg daarboven een hemelsblauwen mantel met open mouwen, gevoerd en geboord met bont, en geborduurd met de wapens van Holland en van Hene-

ëouwen: terwijl een halskraag van hermelijn zijn kleedij voltooide.

e edelen, die hem omringden, waren, over het geheel, niet minder prachtig gekleed dan hij: de hoofden van adellijke huizen, en die, aan welke uithoofde hunner jaren de vroolijke dracht der jeugd niet meer voegde, hadden insgelijks lange tabberds aan, onderscheiden van kleur en versierselen, doch alle blinkende van goud en bont en gesteenten. De jonge Ridders en Edelen daarentegen droegen korte, overal geslotene buisjes, om het middel met een gouden koord omgord, en met mouwen, die, naar den toen heerschenden smaak, omtrent een halven voet langer waren dan de arm: voorts gouden ketens om den hals, tootschoenen met punten van een bespottelijke lengte, en fluweelen hoeden, die op den top van het hoofd zaten, en langs wier hoogen en kegelvormigen bol een enkele witte veder opliep.

Zoodra de Graaf gezeten was, namen ook de aanwezigen, immers voor zooverre de zitbanken toereikend waren, hunne plaatsen in: acht pages en een aantal Herauten bekleedden de trappen van den troon: aan weerszijden waren de bloedverwanten des Graven, de Hollandsche en Henegouwsche Baanderheeren en de gemijterde Geestelijken gezeten: terwijl verder de kerk vervuld was met een uitgelezen schaar van Vorsten en Heeren, uit alle beschaafde landen *"®r^samengekomen, waarachter een vierdubbele rij van Ridders, Meilieden en Vroede mannen, wier getal dat van duizend overtrof, tegen de wanden stond geschaard. Alleen in het midden was de doortocht vrij en een voegzame ruimte voor den zetel opengelaten.

Nadat de Herauten stilte hadden bevolen, gingen vier nunner naar m®n hoofdingang om aldaar de Aartsbisschoppen van Keulen en Van ,ïnor> die, m plechtgewaad en van een luisterrijken stoet vergezeld, de kerk binnentraden, af te halen en voor den Grafelijken zetel te geleiden. Toen rees _ de Graaf op, uit eerbied voor zijn Leenheer, wien deze Dignitarissen vertegenwoordigden: en nu gaf hem de eerstgemelde Rijksvorst in een lange en sierlijke aanspraak te kennen, dat de Keizer, getroffen door zijn schitterende verdiensten, en hem een blijk zijner hooge achting willende geven, hem de Hertogelijke kroon Had toegedacht, welk gunstbewijs hij zich vleide, dat door

n Graaf met dankbaarheid en welwillendheid zou worden aanvaard.

„Hoogwaardigste!" antwoordde Willem, „wij bidden u, na uw terugkeer in Duitschland, de uitdrukking onzer erkentenis voor den

Sluiten