Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TIENDE HOOFDSTUK.

Deux coqs vlvaient en palx: nno pools lurvlnt. Et volla la guerre allomée.

De la Fon talne.

Deodaat had aan den ingang vertoefd, tot de geheele stoet was vertrokken, en was nu, met oogmerk om Reinout op te zoeken, de kerk weder ingetreden. Hij vond echter zijn vriend niet, die door een andere deur, naar 't scheen, was uitgegaan, toen een page van den Graaf hem op zijde kwam en hem de tijding bracht, dat deze hem verlangde te spreken.

Zwijgend volgde de jongeling het knaapie, dat hem binnen de muren des kloosters voorging en naar het slaapvertrek des Graven geleidde. Deodaat, aangediend zijnde, werd terstond binnengelaten. Willem lag half op een rustbank uitgestrekt en in gesprek met zijn oom van Beaumont en de Heeren van Naaldwijk en van Teylingen: tweo edelknapen waren bezig zijn plechtgewaad te bergen in een grooten, met koper beslagen koffer, die nevens hem stond: en een derde stond voor hem met een zilveren schenkblad, waarop een beker gekruide wijn.

„Bij Sint-Japik!" zeide de Graaf: „vriend Deodaat! gij kunt ons een grooten dienst bewijzen."

„Uw Genade kan aan mijn goeden wil niet twijfelen," zeide Deodaat.

„Welnu! — Gij zijt reeds bij die Friezen geweest; — gjj schijnt zelfs een nauwe kennis met hen gemaakt te hebben: althans men heeft u dezen morgen met hen zien rijden."

„Ik ben zeer verplicht aan hen, die belang genoeg in mg toonen om mijn gangen na te gaan," zeide Deodaat.

„Vive Dieu! wat vat de Italiaan spoedig vuur. Nu! het ware geen wonder, al vond men het eenigszins vreemd, dat gij zulke beste maats zijt met lieden van zulk oproerig slag. Intusschen, wij weten in wien wij ons vertrouwen stellen en wij vreezen niet dat JJeodaat van Verona om een paar schoone oogen zijn Heer zal afvallen. Is het niet zoo?"

„Ik vat niet, hoe "

„O! wij weten zeer wel wat wij zeggen. Die afgezanten hebben, zoo wij vernemen, een zeer bevallig behoedmiddel tegen de verve-

j? v.an de reis medegenomen. Is het niet zoo?"

De jongeling glimlachte en boog.

„Welnu! wij hebben er niets tegen, dat gij uw hof maakt aan die schoone Friezin. Integendeel zal het ons des te aangenamer zijn, hoe meer gij u bij de Friezen weet in te dringen, mits gjj slechts de belangen van uw Heer daarbij niet uit het oog verliest: gii verstaat ons?"

„Ik vrees nw Genade geheel niet te verstaan," antwoordde Deodaat,

Sluiten