Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'Moet hij dan stellig uw echtgenoot worden? Gij zijt tot nog toe een roos zonder doornen."

„De toekomst is in Gods hand," zeide Madzy, met een zucht: „doch waarlijk, Ridder! gij doet Adeelen onrecht: hij heeft zich aan u alleen van een ongunstige zijde voorgedaan; maar zijn hart is goed, zijn moed onloochenbaar, zijn aard opgeruimd en gedienstig wanneer er zich geen volksgeest 'in 't spel mengt: — en altijd hel) ik hem als mijn broeder geacht. Hij bemint mij oprechtelijk, met warme liefde: hij zou voor mij in een vuur vliegen: en zoo hij heden onbillijk streng jegens mij was, dit spruit alleen uit de gewoonte, welke hg, zooveel ouder zijnde, van kindsbeen af gehad heeft, om mj als zijn vrouwtje te beschouwen. Dit doet hem somtijds een meesterachtigen toon aannemen, die, ik gevoel het, aan vreem delingen belachelijk of aanstooteliik moet voorkomen."

Hier zwoeg Madzy op eens, blozende, dat zij zoo vertrouwelijk met iemand gesproken had, wien zij eerst zoo kort had leeren kennen.

„Gij bemint hom dan wel," zeide Deodaat.

„Ik bemin hem als mijn broeder, gelijk ik u gezegd heb," zeide Madzy, eemgszms verlegen de oogen neerslaande.

j jJ z°udt den man dan wel haten," vervolgde Deodaat, „die een tvjj b „,eedl£jnS °P «w aanstaanden echtgenoot zocht te wreken." „mdder! zeide Madzy, hem met een vervaarden blik aanziende: „Um Gods wil! wat beteekent deze vraag?"

„Gij weet, edele Jonkvrouw! welken hoon ik van uw verloofde heb moeten ondervinden. Kan een dergelijke terging, in 't bijzijn va?r £>ulê>en ondergaan, anders dan met bloed worden uitgewischt r" Madzy zweeg een wijl en zag toen Deodaat vreesachtig aan: „Ik heb wel eens gehoord,' zeide zij, „dat gij Italianen wraakzuchtig zyi;- ■ . ■ maar neen: gn hebt toch niet het uitzicht van iemand, die zien van een moorddolk bedienen zoude."

^en Ridder, Freule! en alleen op een Ridderlijke wijze kan ik mijn geschonden eer terugbekomen."

„Ik heb van uw Ridderwetten gehoord," hernam Madzy, voor zich ziende: „en Adeelen zelf zou niet beeearAn. Hnt it „

van te handelen gelijk die wetten voorschrijven; maar o God' i«

biik^s dit?$ 0m Ean een meisJe voor te stellen? en in een oogen-

Jk gevoel, dat het onderwerp van mijn gesprek ongepast is: och m ernst, het is met ontijdig. — God weet, of het mn immer weer vergund wordt met u een woord te wisselen. Een enkel hebben?"11 UW6n mo ' en Adeelen zal niets van mij te vreezen

„Eén woord! en welk moet dit zijn?" vroeg Madzy, bevende, bemint m ' dat hem als uw minnaar, als uw gade

doodsbleek: „en gij zoudt uwen hoon verkroppen, wanneer ik die betuiging deed?" vroeg zij, overmand door honderd tegenstrijdige gewaarwordingen.

Sluiten