Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de kin omvatte, het eene been op het bed uitgestoken en het ander» *fen'flo. toekende volkomen zelfvertrouwen en onverschilligheid omtrent de wijze, waarop Adeelen deze ontmoeting zoude opnemen. Nadat beiden elkander een geruimen tijd hadden aangestaard, brak Adeelen eindelijk het stilzwijgen met de natuurlijke vraag: „wie zijt gij? en wat doet gij hier?'' natuurde

ff iJ het," was het even natuurlijk antwoord: ,ik lig te bed." m \ toorn gestemd ware, kon hij zich niet onthouden van te glimlachen over dit onverwacht antwoord; doch weldra verkreeg & wrevel weder de overhand bij hem: „antwoord met meér bescheidenheid," zeide hij: of jk zou u beroiw kunnen doen gevoelen over uw onbeschaamdheid. Ik heb hier volks genoeg om u geducht te doen afkloppen, en te leeren spreken als het noodig is "

j \ nerÏT u e vreemdelinS' altijd op denzelfden kalmen toon. ,doch ik heb hier een vriend bij mij, die hun wellicht den lust tot dergelijke onhoffelijkheden zou doen vergaan." Dit zeela^! toonde hij aan Adeelen een strijdbijl, wier gewicht en zwaarte lacht ^ J ^ voorspelde aan dengene, wien zij toege-

„Wij zullen zien," riep Adeelen, toornig naar de deur gaande. •Vm,üods Jonker Seerp! bega hier geene onvoorzichtigheid," » monnlki h®™ terughoudende; „men heeft er reeds te vele slaande ~ voeg hlJ er blJ' een ontevreden blik op den onbekende

wLaVoietA°/ imiV' zfideJ deze' schaterende van lachen: „Kom beerp Van Adeelen! volg den goeden raad des paters, ga bedaard weer zitten: en laat ons vrienden zijn." En op de bank wijzende, ging hij volkomen overeind zitten in de bedstede en liet de beide beenen afhangen.

„De stoutheid van dien kerel verbaast mij," zeide Adeelen, onzeker wat te doen: nog eens, wie ziit gij, die tot Seerp Van Adeelen als tot uw gelijke spreken durft ?y'

Jk spreek tot hem als tot mijn mindere," antwoordde de vreemwoorfe 6611 vro J en ^oon> die a^s in weerspraak was met zijn

„Tot uwen mindere!" herhaalde Adeelen, stom van verbazing en verontwaardiging. „En m aller Heiligen naam! wie zijt gij dan?"

„Wie ik ben! mij dunkt," vervolgde de onbekende, den monnik «inziende met een vragenden blik: „dat de tijd nog niet gekomen is, om zulks te vertellen." s

„Neen! bij den hemel!" riep de monnik: „gij moet nu niet zeggen, wie gij zijt: ik smeek u daarom! gij zult de waardigheid, die gij bekleedt, niet tot een voorwerp van spot doen strekken, noch de eene onvoorzichtigheid op de andere stapelen. Seerp Van Adee-

• ' ruTW0er u' verl&&t deze cel en vergeet wie en wat gij gezien hebt. O J °

„Wat ik gezien heb? twee verraders, die ik terstond zal doen straöen, zoo mijn woord hier eenig gewicht heeft."

„Dat zult gij niet, dolzinnige!" hernam vader Syard, „de naam

Sluiten