Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dezes mans moet u nog een raadsel blijven; doch dit verklaar ik u Willem de Vierde heelt geen grooter vijand dan hem."

„Gjj haat Willem den Vierden," riep Adeelen, haastig tot den onbekende toetredende: „doch wie waarborgt mij de waarheid van hetgeen die monnik verzekert?"

„Hoor!" zeide de onbekende: „ik mag u, daar de eerwaardige pater het zoo dringend verbiedt, mijn naam niet doen hooren; dit zij u genoeg, dat ik een edelman ben, zoowel als gij, ja van nog beroemder afkomst, al stamt gij van een Frieschen koning af.... doch hierover willen wij niet twisten. De Graaf is uw vijand: hij is ook de mijne. Zoo ik hier verschijn, het was om pater Syard te vinden en met hem de middelen te beramen om den trots des dwingelands te fnuiken. Dezen morgen sprak ik hem niet verre van hier; maar ik heb reden om te vermoeden dat ons gesprek beluisterd is geworden. In de hoop, dat wij hier meer ongestoord zouden spreken, Bad mij de eerwaarde monnik voorgesteld ons onderhoud in deze afgelegene cel te hervatten. Wij werden gestoord door uwe komst en. °.nwiHig> mi aan iemands oogen bloot te stellen, verschool ik mij in deze bedstede, waar ik bijna gestikt ware. Toen ik u zoo luidkeels wraak over den Graaf hoorde roepen, kon ik mij niet weerhouden, een hartelijk amen uit te spreken, en daardoor vrijwillig mijn aanwezigheid te verraden. Had ik mij niet evengoed kunnen stilhouden, en is hij een verspieder, die ziet zeiven dus aanmeldt?"

„Er is veel waars in 't geen gij zegt," merkte Adeelen aan: „doch "

„Doch mijn mond is schor van het praten: en zoo gij u met water vergenoegt, ik zou wel een meer opwekkenden drank verlan8®n- Broeder Syard 1 wees zoo goed eri haal een kan wijn boven. Die brave Jonker zal mij wel gezelschap houden en een beker ledigen op de onafhankelijkheid van Friesland."

Vader Syard schudde liet hoofd en zag Adeelen met een blik aan, welke den tegenzin,_ dien hij gevoelde, om het onderhoud te rekken, blijkbaar aankondigde.

„Ga!zeide Adeelen, wiens drift nu geheel bedaard was en voor nieuwsgierigheid had plaats gemaakt: „ga! en zeg dat ik wijn ver-

Do monnik haalde de schouders op en vertrok. „Voorwaar!" zeide de vreemdeling toen: „ik had hem wel mogen gelasten een paar goede stoelen mede te brengen; want de zitplaatsen zijn schaarsch en ongemakkelijk: en, wanneer men praat en drinkt, is een leunstoel met open armen en gevulde kussens voor de tafel geschoven, gansch geen verwerpelijk ding."

„Zoo gij liever in mijn vertrek wilt komen," zeide Adeelen: „het Huisraad is er zeker beter in orde en "

ri "?n zal er blootstaan aan de nieuwsgierigheid uwer dienaars?

Ik dank u."

„Gij zult er niemand zien, zoo gij zulks niet verlangt: en ik zou den strot afsnijden aan dengene, die zoo stout ware eenice vraag

omtrent u te doen."

Sluiten