Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woordige braaf, begeeng, zijn eens verkregen gezag te handhaven, opnieuw een leenman van Holland, een afstammeling uit het beroemde huis van Arkel, op den Bisschoppelijken zetel weten te

plaatsen."

„Dat alles heb ik meer gehoord," zeide Adeelen; „die Bisschop is immers in Friesland geweest om de kloosters te bezoeken? —Ik heb hem niet gezien: men zeide, dat hij nog geen baard ««« de kin had."

„Met of zonder baard," vervolgde de monnik, „hij toonde met de daad, dat hij de belangen zijns Bisdoms behartigen wüde en dat hij niet, gelijk zijn voorganger, een tamme sperwer was, gereed om van 's meesters hand te vliegen en voor dezen het wildbraad op te vangen : maar een grootmoedige adelaar, vaardig om weerstand te bieden aan al wie hem zocht te fnuiken. Bijna al de bezittingen van het Bisdom waren wegens schulden aan den Graaf verpand: om die schulden af te lossen, en daardoor het Sticht aan den invloed van Holland te onttrekken, verliet Arkel de mijterstad en ging hij stil en afgezonderd in Frankrijk leven. Intusschen liet hij te Utrecht zijn broeder Robbert achter en, met hem, mannen, wier hart van ijver blaakt om het Bisdom tegen alle aanmatiging van buiten te verweren en tot zijn alonden luister te verheffen. Hiertoe willen zij in de eerste plaats den Grave, die zich het momboirschap van het Sticht heeft toegerekend, alle inzien van stukken, benevens de hun gevraagde rekening en verantwoording weigeren."

„Ik zie, waar dat heen moet," viel Adeelen in: „de rekening wordt geweigerd: en de Graaf rukt het Sticht in met zijn heir."

„Indien hg niet wordt voorgekomen," zeide de vreemdeling, glimlachende.

„Welnu!" hernam de monnik: „het oogenblik, dat het Sticht als één man tegen Holland opstaat, zij ook dat van Frieslands bevrijding."

„Ik versta u," zeide Adeelen: „de wapenkreet, die in Utrecht wordt aangeheven, moet door de Collumsche en Amelandsche duinen worden teruggekaatst. Welaan! aan mij zal het niet ontbreken."

„Hebt gij invloed genoeg in Friesland," vroeg de Stichtenaar, wiens gelaat op eens een meer ernstige plooi aannam, „om dit te bewerkstelligen ?"

„Ik sta in voor geheel Westergoo, dat mij gezonden heeft," antwoordde Adeelen: „en, zoo mijn echt intijds voltrekken wordt, zal ik een aanhang kunnen vormen, sterk genoeg om den geheelen adel van Friesland mijne banier te doen volgen."

*'t Is wel! doch uw mede-afgevaardigde, de zendeling van Oostergoo? Hij schijnt meer ten vrede geneigd."

„Hij moge alleen gaan pruilen op zijn stins," hernam Adeelen: „Friesland heeft moedige zonen genoeg en zal hem niet missen, wat de geestelijke huizen betreft-..."

«Daarvoor sta ik in," zeide vader Syard. „Hun afhangelingen zullen niet achterblijven op den dag des gevaars."

„En dan," vervolgde Adeelen, wiens oogen meer en meer van geestdrift begonnen te fonkelen: „dan hebt gij, behalve de volgers

Sluiten