Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»ih geloof dat de Graaf tevreden zal wezen over de wijze, waaroo wjj alles geschikt hebben."

iule§L °e'i. w'en hij dezen uitroep richtte, was een man van atnlethische gestalte, wien men, aan zijn naakte, forsch gespierde armen en aan de zwarte kleur, welke zich met het vel vereenigd i-tT' Toor een wapensmid herkende. De marktschrijver reikte nauwlijks tot aan zijn elleboog, ofschoon hij op de toonen ging staan zoo dikwerf hij hem aansprak. De groote lichtblauwe oogen van den Maarlemschen vulkaan wendden zich gedurig langzaam heen en weder, nu eens naar de kampplaats, dan weder achterwaarts over vwksmenigte heen naar de smederij, op welker dorpel twee wakkere knechts een wenk van hem stonden af te wachten, om zich overal heen te begeven, waar de omstandigheden hunne hulp mochten vereischen.

«Daar hapert niets aan," antwoordde hij op des Marktschrijvers toespraak, zonder echter den blik op hem te doen afdalen, „en Jan raypaert verstaat zijn werk; — nu, 't ware ook schande indien hij het niet kende; hij heeft het lang genoeg uitgeoefend.''

Meester Claes Gerritsz beet zich op ae lippen, weinig over deze bevestiging zijner woorden tevreden, daar volgens haar do eer, welke hij zich aanmatigde, niet hem, maar den Wapenkoning gegeven werd. r 66

»'t Is waar," hernam hij, „de oude man heeft zich veel moeite gegeven; maar hij krijgt toch ook zijn jaren, en zoo hij minder vlug wordt, Jiij wordt er des te koppiger om. Hg heeft volstrekt met naar mijn raad willen luisteren, toen ik hem voorstelde, de gaanderijen liever aan deze zijde te bouwen, zoodat de troon vlak voor de Sint-Jansstraat kwam; dan had het Grafeljjk gezin immers niet de halve stad behoeven om te rjjden ten einde zijn plaats te 001* 6i Ken.

„Ja," zeide de wapensmid, met een spottenden lach, „en zij waren allen geroosterd als bokking van de blakende zon, gelijk wij zoo meteen zjjn zullen."

„Ei! ei! een smid moet niet bang zijn voor wat hette," zeide de marktschrijver, een weinig beteuterd over deze juiste aanmerkmg; — „maar inderdaad, het ware immers veel scnooner gezicht geweest, indien de stralen der lieve zon al die mooie meisjes en vrouwtjes beschenen, en zich in hare schitterende juweelen en sieradiSn gespiegeld hadden, dan dat ze, gelijk nu, in de schaduw zitten.

„Inderdaad, dat had zeer fraai gestaan! — en menig Ridder zou door dien glans zoo verblind zijn geweest, dat h{j zijn speer wel een voet bezijden zijn tegenpartij zou gestoken hebben. Neen! neen! de Herauten weten beter hoe het hoort."

„De Herauten! — lieve knapen! — hebben zij zoo meteen den doortocht met geweigerd aan onze Vroedschappen, 'tgeen geheel ^ het Privilege van Koning Willem, artikel....

,Wat Privilege! — alle Privileges houden op voor de poort van een kampwerf. Wat hebben zij er met hun rokken van Amsterdamach

Sluiten