Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

u uit de handen van de Haarlemmers verloste. . . - maar goede hemel! Jonker Seerp! wat ziet gij er uit. Hebt gij in de stadsgracht gelegen of hebben zij u bespoten? — Het water druipt u van den wapenrok af." .

„Genoeg gesnapt," zeide Adeelen. — .Laat iemand den pater verzoeken in mijn slaapzaal te komen. Ik zal mij gaan ontwapenen."

Na een half uur waren beiden ter bestemde plaatse bijeen.

.Welnu," vroeg de monnik: .heeft uw uitdaging een goed gevolg gehad? Mij dunkt gij zijt spoedig terug," vervolgde hij, ziende dat Adeelen, zonder hem te antwoorden, het vertrek met groote stappen op en neder wandelde; ,en gij schijnt slechts matig tevreden over den uitslag van het kampgevecht."

„Dat mij de donder slar' riep Adeelen, „zoo ik morgen het slijk, dat mijne wapenen bezoedeld neeft, niet afwassche met het bloed van mijn wederpartij; maar zeg mij, Pater! wat is u die Ridder van den Rooden Arend komen verhalen? Bij Sint-Nikolaas! hij heeft zich geweerd als de vogel dien hij voert, en wij hebben in hem een wakkeren bondgenoot."

„Hij is mjj komen zeggen," zeide vader Syard, „dat hij naar het Sticht ging, en dat men weldra van hem hooren zoude. Tevens heeft hij mij geraden te vluchten, daar ik eerstdaags zou gevat worden. Er schijnt iets van onze bijeenkomsten te zijn uitgelekt."

„En zult gij zijn raad volgen?" . .

„Dat meu mij vange, ik vrees niets: — elke beleediging, die liier eenen Fries wordt aangedaan, zal slechts strekken om den haat onzer landgenooten te feller te doen ontbranden; — maar dat daargelaten: — gij hebt mij nog den uitslag van het steekspel niet doen weten."

„En ziet gij dien dan niet, bij alle duivels!" riep Adeelen, op zijn vochtigen wapenrok wijzende: „zesmalen heb ik mijn wederpartij overwonnen; — de laatete reis wierp mijn paard mg in de beek; — doch genoeg daarvan: — wij zullen zorgen, morgen gelukkiger te zijn."

Dit zeggende, nam hij een vollen beker, om op den goeden uitslag van zijn kamp te drinken, en deelde vervolgens aan den monnik mede hoe het met zijn uitdaging was afgeloopen. Weldra kwamen nu de Heer van Aylva en de Abt met Madzy van het feest terug, en haastten zich hun vriend op zijn kamer te gaan bezoeken, ten einde hem woorden van troost en opbeuring toe te spreken. Zij vonden hem wrevelig en vermoeid in een armsloel liggende.

„Ik beklaag u van harte," zeide Aylva: .gij nadt u te dapper geweerd om door een zoo noodlottig toeval uw aanspraak op den prijs te verbeuren; — maar ik zou in uw nederlaag nog grooter aeel nemen, indien ik die niet aanmerkte als een straf des nemels voor uw laatdunkendheid. Welke booze geest kon u de dwaasheid ingeven, den Graaf te gaan uitdagen op zijn eigen grondgebied?"

„Humiles levat, superbos deprimit Deus,' zeide de Abt, ,'t geen zeggen wil, dat de nederigen verhoogd en de trotschen vernederd worden. Ja! broeder Syard weet hoe dikwyls ik rnjjo

Sluiten