Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

anderen voorgesteld, als ware ik een losse, minzieke deerne, gereed mij te vergooien aan al wie mij een zoet woordje toesprak. Hoor wat ik eisch en tot welken prijs gij mijne achting kont herwinnen. Gij zult dien vreemdeling, dien Deodaat van Yerona, bestrijden; — maar eerst zult gij hem verklaren, dat de woorden, u in drift ontvallen, u leed doen: dat gij overtuigd zijt, dat nooit tusschen hem en mij eenige gesprekken zijn voorgevallen, die ik niet hooren mocht: en dat gij ook den hoon vergeten wilt, u door hem ter wedervergelding aangedaan."

„Gij vraagt veel, Madzy!" zeide Adeelen: „meer dan met ridderplicht kan strooken. Zal ik iemand om vergeving bidden, wiens vuistslag nog op mijn aangezicht gloeit?"

„Gij zijt een Fries," zeide Madzy: „en draagt roem op uw rondborstigheid. Zoudt gij die alleen aanwenden om te beleedigen en niet om te durven erkennen, dat gij ongelijk hadt?"

„Welaan!" zeide Adeelen: „ik zal doen wat gij begeert: ik zal heden nog, in uwe tegenwoordigheid, den Italiaan de vergoeding doen, die gij verlangt; doch ik neb ook mijne voorwaarde, en de edele Aylva zal oordeelen, of zij billijk is: zij is deze, dat gij na uwe _ terugkomst in Friesland u met mij in den echt verbindt, en dat ik u heden nog aan het hofgezin als mijne bruid en toekomstige gade moge voorstellen."

„Mij dunkt," zeide Aylva: „dat deze voorslag niet onredelijk is: zoo kwam er een einde aan alle moeilijkheid."

Madzy verbleekte: zij was op dit onverwachte voorstel niet verdacht, en een samenloop der meest verschillende en tegenstrijdige

fewaarwordingen doorstroomde haar hoofd. Maar evenals een akker,

oe meer hij omgewoeld is, des te spoediger vruchten voortbrengt, zoo is ook het menschelijk hart te gereeder een grootsch besluit te nemen, naarmate het feller door driften geschokt is. Zij vermande zich, wischte den opgewelden traan uit het oog en stak haar hand opnieuw aan Adeelen toe.

„Ik geloof inderdaad," zeide zij met een vaste stem, „dat gij gelijk hebt. Ja! ik zal de uwe zijn en heden moge dit op het feest ruchtbaar worden, — maar.... vergenoeg u dan met hetgeen gij tot nu toe verricht hebt: wees bedaard en terg den Graaf niet meer. — Ja, kan het zijn, dat die onzalige kampstrijd op morgen geene plaats had doch ik gevoel dat dit onmogelijk is.

„Gjj zegt wel, Madzy," zeide Aylva: „had Adeelen mij geraadpleegd, ik zoude getracht hebben, hem die dwaze uitdaging uit het hoota te praten; maar nu die eens geschied is, kan hij niet teruggaan zonder zijn eer te krenken."

„En nn!" zeide Adeelen, wien het zoet vooruitzicht, waarmede hij zich streelen mocht, bijna op eens in een galanten ridder herschapen had, „laat vrij in 't perk komen wie wil: door Madzy's liefde gesterkt, ben ik onverwinneliik."

„God zegene u, mijne kinderen!" zeide de Olderman, beiden .aan zijn hart drukkende: „maar laat ons thans den tijd niet verzuimen en ons gereedmaken voor het feest."

Sluiten