Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zou hij nog te redden E^n?" Beide Madzy, de gelegenheid haaal1.? ingrijpende, welke haar nog een oogenblik toevens vergunde. Zij legde de hand op zijn hart en na eunige oogenblikken van gespannen verwachting riep zij uit: „God lof! het slaat nog: een arts! een arts!" °

„Wat heeft er plaats gehad?" vroeg de Graaf, driftig hot raoordtooneel naderende: „is het die ellendige Fries, wiens dolk een mijner edellieden heeft durven zoeken?" En zijn vorschend oog ondervroeg beurtelings Beaumont en Adeelen.

Weemoedig schudde de eerste het hoofd: „niet dezo," zeide hij, °P, Adeelen wijzende: „de moordenaar is gevlucht. Maar het wordt tijd» dat lichaam naar een meer geschikte plaats te vervoeren."

Men voldeed aan dit voorstel: twee edellieden beurden den zieltogenden Deodaat van den grond op, en droegen hem naar het jachthuis, terwijl Beaumont hei hoofd ondersteunde, en Aylva, door eene onwederstaanbare aandrift gedwongen, naast het lichaam bleef gaan, zonder de oogen van het aoodsbleek gelaat te kunnen afwenden. Al de overigen volgden of omringden hen met zichtbare blijken van doolnemmg. Adeelen alleen bleef terug met Madzy, die, toen het lichaam was opgenomen, het besef van haar toestand had terugbekomen, en snikkende was ter zijde getreden.

- hoe' zeide Seerp, zich voor haar plaatsende en haar met een hoonenden grimlach aanziende: „volgt gij het lijk van uw minnaar met?"

„Seerp! gij zijt wreed!" was alles, wat haar tranen aan Madzy toelieten te zeggen.

.Minder dan gij," zeide Adeelen, „die op den dag zeiven, dat gjj mij trouw belooft, met een jongen lichtmis door het bosch gaat zwerven en mij door uw ontrouw het hart doorboort en erger wonden slaat dan uw boel ontvangen heeft, üa! dubbelen dank ben ik dien Reinout verschuldigd, die mij zoowel van pas gewroken heeft."

„Gij behandelt mij onwaardigi ijk," zeide Madzy: „gij miskent mij en don edelen jongeling, die....

„Bloos niet, maar ga voort! — Welnu! die edele jongeling? "

herhaalde Adeelen, op een bitsen toon, ziende dat de aandoening Madzy belette voort te gaan.

„Nu, ja dan," zeide Madzv, haar vrouwelijke waardigheid geheel hernemende: „waarom gebloosd? Hij voedde voor mij een hopelooze liGfdo en kwam mij het laatst vaarwel zeggen. Ziedaar zijn eenige misdaad, zoo het al een misdaad was: de mijne was, hem aangehoord te hebben; doch kon ik minder doen voor iemand, die wellicht morgen sterven zoude."

„Voortreffelijk!" hernam Adeelen: „verdedig hem nog. — Wat mij betreft, ik weet genoeg: herneem de trouw, die gjj mg geschonken hebt, en uw nng daarbij: ik begeer hom niet meer."

Dit zeggende, trok mj den ring, dien hij van Madzy ontvangen » n.Van z'Jn vinger, verbrak dien tusschen de tanden en wierp de stukken voor de voeten der ongelukkige maagd, waarna hij haar snel den rug toekeerde en zich verwijderde, haar alleenlatende in

Sluiten