Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

driftig gesprek gewikkeld, terwijl hunne teekenen en gebaren, en de ongewisse, ja soms verontruste blikken, die zij op den Graaf wierpen, te kennen gaven, dat het onderwerp van hun gesprek belangrijk was. En geen wonder! zij hadden zooeven nit het Sticht de tijding bekomen, aat men aldaar te wapen vloog en zich tot weerstand bereidde, bijaldien de Graaf zijn voogdijschap over 't Bisdom met geweld wilde doen gelden. Kort bij hen stona Adeelen alleen, tegen den muur geleund, den arm over een hertekop geslagen, die den wand versierde, in diep gepeins verzonken en zijn oogen nu eens naar de zijgang slaande, welke naar het vertrek dés gewonden leidde, dan weder op den Graaf, en dan weder naar den moordenaar. Deze stond ongeboeid doch wapenloos aan het einde der zaal, omringd van eenige edelen en wapenknechten. Men had hem gegrepen op het oogenblik, dat hij reeds te paard gestegen was en zich tot de vlucht gereedmaakte. Een akelige bleekheid bedekte zijn gelaat; maar zijn gitzwarte oogen doorliepen de zaal en vestigden zich op de aanwezigen met een uitdrukking van hoogheid, gelijk aan die, waarmede ae schilders den gevallen Aartsengel afmalen. Hij sloeg ze echter een oogenblik neder en een vluchtig rood kleurde zijn wangen toen hij Madzy gewaarwerd: doch hij herkreeg spoedig zijn vrijmoedigheid en bleef een zegepralenden blik op het meisje gevestigd houden.

Wat haar betreft, zn had hem, die zich in den meest verwijderden hoek der zaal bevond, niet dadelijk opgemerkt: en haar aandacht was terstond op haar voogd gevallen, die met een treurigen blik haar te gemoet kwam. „Madzy! Madzy!" zeide hij zachtjes, terwijl hjj weemoedig het hoofd schudde: „Ik had de Roos van Dekama met over zee moeten medevoeren!" En terstond daarop den geschokten toestand van Madzy bespeurende, verweet h\j zich de uitdrukking, die hij gebezigd had en hielp hij Beaumont om haar te ondersteunen.

„Meisje!" zeide Graaf Willem, toen hij haar gewaarwerd: „wij hebben u hier ontboden om den moordenaar van Deodaat te herkennen. Is het de man die daar staat, die de wond heeft toegebracht ?"

Madzy hief de oogen op, maar bedekte die terstond met beide handen, toen zij den Italiaan gewaarwerd. „O! uit deernis, spaar mij!" riep zij met een angstvolle stem.

„En welke noodzakelijkheid bestond er," vroeg nu Reinout op een trotschen toon, „om haar hier te doen verschijnen? Heb ik mijn euveldaad niet beleden? Ja! deze hand was het, die het verraderlijk hart doorboord heeft, en zoo zij den dolk des sluipmoordenaars gebezigd heeft, men bedenke, dat het haar niet vergund werd de ridderlijke lans te gebruiken."

„Het is genoeg!" zeide Willem: „en wij behoeven de Jonkvrouw niet verder te ondervragen. Haar schrik op zijn gezicht en zijne volmondige bekentenis laten geen twijfel omtrent de misdaad over. Hg is echter Ridder en kan, als zoodanig, adellijke rechters vragen."

„Met verlof van uwe Genade!" zeide Paypaert, „ik moet eerbie

Sluiten