Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwijl wij volgens het Privilege van Koning Willem slechte twintig pond schuldig waren te betalen, evenals bjj de blijde inkomste. Maar de Magistraat is een hoop stoflikkers, en er moesten heel andere menscnen aan het roer zitten." voegde hg er b(j, den neus optrekkende en de borst hoog zettende.

„Ik zie de onbillijkheid nog niet in, daar gij van spreekt," zeide zijn buurman: „betaalt gij meer, gvj geniet ook meer: en Haarlem is sedert dien tijd ook wel eens zoo groot geworden."

„En eens zoo arm, moogt gij er wel bijvoegen. Sedert Amsterdam met Holland vereenigd is, vaart er bijna geen schip meer uit Haarlem naar de Oostzee."

„Gij zijt een ondankbare klager, buurman! En brengen al die feesten ons geen rijkdom aan?"

„Rijkdom'? — Ja, aan de kroeghouders, die drank tappen en den accijns smokkelen, en aan de waponsmids, die een dubbel getal knechts in 't werk stellen, en die ook wel een tiendubbel aandeel in de blijde inkomsten mochten betalen: althans zoo er een oorlog met Utrecht op handen is, gelijk ik zooeven vernomen heb."

„Een oorlog met Utrecht!" herhaalde de verheugde smid, zich de handen wrijvende: „eilieve, buurman! verhaal mij dat eens."

Maar het was den marktschrijver niet mogelijk zulks op een verstaanbare wijze te doen. Een luid geschal en volksgejoel kondigde eindelijk de aankomst van een der kampvechters aan.

„Daar is hij! daar is hg!" riep de smid, den Sticlitschen oorlog schier vergetende.

„Wie is daar?" vroeg de marktschrijver, ontevreden.

„De Friesche Ridder," antwoordde de smid: „dien gij achter de tralies geplakt hebt. Mij dunkt, uwe tijdingen zijn niet van de allerjuiste. Wie weet of die Ridder Deodaat, dien gij doodmaakt, ook niet nog verschijnt."

„Maar is het waarlijk do Fries?" vroeg Claes Gerntsz, nog steeds ongeloovig. . .....

.Ken ik dan de wapenrusting met de zilveren sterren met, die ik zelf geleverd heb? En heb ik dien strijdbijl, die aan den zadelknop hangt, niet nog gisteravond gescherpt en aan zijn dienaar over-

aoiiuxgu i , . ..

Het was inderdaad Seerp Van Adeelen, die geharnast het krijt was binnengereden en nu onbeweeglijk aan den ingang post vatte.

„Ziedaar een ongehoorde zaak!" bromde Paypaert: „een der kampioenen is er, en er is nog geen Kamprechter: en de Graaf, die beloofd had, te komen! Het gaat mijn begrip te boven."

„Maar, Heer Wapenkoning!" zeide een der Herauten: „mag ik vragen, of er ook een misverstand plaats heeft? De andere kampioen is immers gisteren gekwetst en misschien al dood?"

„Even alsof de Graaf niet voor een anderen zoude gezorgd hebben. Breek mijn hoofd niet met zulken zotteklap en ga naar stijl en gebruik aan gindschen Ridder vragen, wat hij hier verricnten komt."

De Heraut zweeg, reed naar Adeelen en volbracht zijn boodschap.

Sluiten