Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vertrokken, toen de Heer van Teylingen met een vervaard gelaat kwam binnengetreden en hem meldde, dat Reinout ontsnapt was uit de gevangenis, waar men hem in gezet had.

„Onmogelijk!" riep de Graaf uit: „of hebben die ezels de grendels niet gesloten?"

„Ik zelf heb het ook onmogelijk genoemd," zeide Teylingen: „want de deur van het kamertje was zoowel voorzien, dat zij niet kon geopend worden zonder de wachters te wekken: ook is daaraan niet geraakt; — en uit het venster heeft hg niet kunnen wegkomen, tenzij hij vleugels had als een vogel."

„Hij kan zien aan een touw of saamgeknoopte lappen hebben laten afglijden."

„Men zou dan dat touw hebben gevonden; maar het meeste wat men ontdekt heeft is een scherpe gleuf, die van het venster af tot op den grond toe doorloopt, even of zij met de punt van een mes oi dolk in den mnur ware gesneden. Hulp van buiten heeft hij niet gehad, want men ziet geen andere voetstappen in het zand dan de zijne, die wat verder op het gras weer verloren raken."

„Zonderling! — maar dewijl hij toch gevlucht is, mag ik lijden, dat men hem niet terugvange; want hij heeft mij altijd trouw gediend en het zou mij spijten, indien hij om een driftig oogenblik zijn leven verbeuren meest. — Verzoek den Heer van Beaumont bij mij te komen."

Dit laatste bevel was gericht tot een page, die in het voorvertrek wachtte en die eenige oogenblikken daarna terugkeerde met de boodschap dat de Heer van Beanmont niet te vinden was.

„Hoe! zeide Willem, met bevreemding: „is hij reeds zoo vroeg uitgegaan? Hij weet, dat wij hem spreken moeten.

„Ik meen te weten," zeide de page, „dat hij hedenmorgen den gewonden Ridder vroegtijdig bezocht heeft en kort daarna een renbode van Haarlem gesproken, waarna hij terstond vertrokken is. Zelfs zijn schildknapen zijn niet meer te vinden."

„Onbegrijpelijk! of is hij misschien den voortvluchtige achterna? — Maar, zeg, hoe is het met den gekwetste?"

„De arts is zooeven bij hem geweest en geeft hoop."

„Misschien kent Deodaat de reden van dat overhaast vertrek. Wij willen hem in persoon bezoeken en naar zijn toestand vernemen.

Met deze woorden rees de Graaf op en begaf zich met Teylingen naar den gewonde, wien hij volkomen bij zijn kennis vond en verkwikt door eenige uren sluimering. Na een kort onderhoud over zijn toestand vroeg hem Graaf Wulem, of hij ook de oorzaak kon gissen, waarom Beaumont zoo overhaast vertrokken was.

Deodaat ontzette op deze vraag. „Goede Hemel!" zeide hü: „ik herinner mij over den kamp te nebben gesproken, dien ik heden tegen den Blies had moeten voeren: en te hebben gevraagd, wie in mijne plaats gekozen was om Adeelen te bevechten."

„Die onbeschaamde Fries zal toch niet in het krijt zijn gekomen," zeide de Graaf: „wetende dat zijn weerparty buiten staat was daar te verschijnen."

r. w. m. is

Sluiten