Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die hem volgde, „dat hij den Heer van Beaumont had gesproken."

„Zoo is t, zeide Feiko, „en die Heer heeft mij twee groot gegeven, met last, om terstond terug te keeren en met niemand meer te spreken."

„Dat zal het zrjn," hervatte Teylingen: „nu is de zaak duidelijk: spoedig voort! misschien is de edele Graaf reeds het slachtoffer van zijn ijver.

En hunne rossen des te vuriger aansporende, reden zij voort, door Aylva vergezeld. De Abt oordeelde het wel voorzichtiger, om, wat hem betrof, huiswaarts te keeren en zich niet bij dien wilden hoop te wagen; maar zijn merrie scheen niet van dat'gevoelen en voerde hem zijns ondanks mede. Te Haarlem eerst haaiden zij den Graaf in, die zich m de buitenstallen van een versch paard had voorzien om niet met een vermoeid ros in het strijdperk te verschijnen: en zoo kwamen zij gezamenlijk op het Zand.

'Oom! Oom! was dat wel van u gehandeld?" zeide Graaf Willem, vano^i?acS:?.,?PriI??ende en den overwinnaar omhelzende.

„Stil! Stil! zeide Beaumont: „wat ik deed heb ik voor de eer van ons huis gedaan; maar niemand behoeft immers te weten, dat ik als een jonge spnng-in-'t-veld mijn grijzen kop tegen het haaren hersenlooze hoofd van dien Fries gewaagd hebr'

En met deze woorden steeg hij te paard, met oogmerk om zich '.«an de oogen der menigte te onttrekken. Maar zijn naam, die eerst zachtjes van mond tot mond was overgeDracht, werd nu overluid met blij gejuich door het volk herhaald.

„Hoezee voor Beaumont!" riepen allen: „Beaumont! Beaumont!"

„Oom! zeide de Graaf, „zoo komt gij er niet af. Geheel Holland mag en moet weten, wat wij aan u verschuldigd zijn. Vergun ons, uw schildknaap te wezen."

Met deze woorden gespte hij den helm des ouden krijgsmans Jos: en toen de toeschouwers het achtbaar gelaat zagen, waar ;ian de hitte van het gevecht de kleur der jeugd hergeven had, en hoo ' m vel<* «teeg de jubeltoon al hooger en

.Komaan, dewijl het eenmaal zoo zijn moet," zeide Beaumont, het Krijt aan s Graven zijde rondrijdende en overal met minzaamheid groetende: „ae beer moet wel rondgeleid worden, nu hij zijn kunsten vertoond heeft. Alles wel beschouwd, zal het uwe schuld zijn, waarde Neef! mdien ik heden kou vat."

„Dat zal in der eeuwigheid niet gebeuren," zeide Willem, met zijn mantel de kniin des grijzen helds bedekkende: „maar beken, Oom! aat, zoo gij als goede bloedverwant gehandeld hebt, gij u tevens als een oproerig onderdaan hebt gedragen, door een kamp te wagen zonder onze toestemming."

„De tijd veroorloofde mij niet, die te vragen," antwoordde Beaui, ,i "61j i x tijd gehad, ik had nog gezwegen, uit vrees, dat lTlD •,e lu,st bekropen hebben, een lans te breken. Daar-

heb, lk ook Aylva's dienaar, die mij de tijding brengen kwam, terstond weer weggezonden, en in 't voorbijgaan een wapenrusting

Sluiten