Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,Ja! morgen! als zij hem morgen maar laten doorreizen," mompelde de waardin: „doch dat is hetzelfde: er zal geen kans zijn den man meer uit zijn bed te krijgen: — en is er nog een plaats in de groote kamer open?"

„Dat 'loof ik niet, antwoordde Truitje: „laat zien: daar is de Ydeljaander met zijn kameraad in één bed, en die gast van straks is het andere, met dien kerel, die zulk een zwarten mantel om heeft, en oogen nog zwarter dan zijn mantel."

„Dat is tot daar aan toe, viel haar Maaike Jaspersz in de rede: „een meid uit een ordentelijke herberg behoeft de jonge knapen

niet in de oogen te kijken laat zien: — de bedsteden zijn

bezet; maar er zal nog wel een ledig hoekje zgn om een stroozak te leggen."

„Wat beduidt al dat gehaspel?" vroeg vader Syard vertoornd: „gij wilt mijn nicht toch niet in uw groote kamer plaatsen? Ik heb voor haar een kamer alleen verzocht."

„Recht zoo, huisman!" hernam de waardin: „maar gjj zult zelf ook wel een plaatsje willen hebben?"

„Ik ben met een weinig stroo in de schuur tevreden," zeide de monnik: „mits mijn nicht slechts wel bezorgd zij."

„Ja! ik zal haar mijn eigen bed dienen te geven: — maar een goed akkoord bederft geen crediet: en mij dunkt, dat een kleine schadeloosstelling boven den gewonen prijs...."

„Zoo het slechts daaraan hapert," nernam de monnik, haar een paar stukken van achten in ae hand stoppende: „hier is al wat voor de nioeite, die wij u veroorzaken: maar haast u! en laat ons het verblijf zien. dat gij aan mijn nicht wilt geven."

„Komaan, kind!" zeide de waardin, terwijl zij met de eene hand het geld opstak en met de andere Madzy voortstuwde: „zien zullen wij: en het zou mij verwonderen, indien gij niet tevreden waart."

Madzy trok haar mantel nog dichter over haar gelaat en vergezelde nu met vader Syard haar geleidster naar binnen. Met een haastigen stap traden zij het voorhuis door, waar eenige menschen rondom het vuur _ bijeen zaten, gingen een paar smalle zijtrapjes op en bevonden zich weldra _in een klein vertrekje onder het dak, hetgeen zich, wat de zindelijkheid betrof, vrij wel voordeed; maar dit was de eenigste verdienste. Behalve dat het er geweldig heet was, waren er geene andere meubelen te vinden dan een koffer ter berging van het linnengoed der waardin, en een stoel, waarop nachtgewaad lag. Vader Syard, vreezende dat Madzy dit verblijf vrjj ongeschikt zoude voorkomen, wilde bedenkingen opperen; maar Madzy verklaarde, dat zij er volkomen genoegen mede nam.

„Wel dat geloof ik," zeide vrouw Jaspersz, terwijl zij haar boeltje bijeenpakte, en met een bezemstok de dekens instopte: „er hebben hier wel knapper lui in geslapen: zooals laatst ae eigen zuster van Barta Bartels, die vrouw is van den Overman van het Weversgilde te Leiden: en nooit heeft iemand ergens over geklaagd: —a's over de muggen misschien: maar die ontzien rak noch arm: en als men den geheelen dag gereisd heeft, zooals gijlieden, naar ik aan

Sluiten