Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontrolt, zweer ik u, dat ik u kennis met mün zwaard zal doen maken, en uw veelvervig pak van den kraag ai tot de hoos toe de kleur van qw bloed doen aannemen."

„Kom! kom!" zeide Daamke: „heb maar zooveel praats niet: die lange Fries van den Heer van Aylva mocht eens terugkomen en u afranselen zooals hij in den Haarlemmerhout deed."

„Schurk!" riep Walger: „wat let mij of "

„Welnu," zeide de waardin, met een nieuwe kan terugkomende: „begint gijlieden weer? komt! drinkt als vroolijke gezellen met elkaar en laat dat eeuwige gekijf varen, 't Is of gg heden allen van den Booze bezeten zijt: er is hier geen wijs mensch dan ik en die goede man, die op de bank ligt te slapen."

„ Slapenr zeide Walger: „ja, zoo gjj 't maar gelooven wilt. Wij hadden hem ook wel eens kunnen aanstooten, om te zien of hij ons beter bescheid zou doen, dan de paai die zoo even heenging. Wie weet, misschien is hjj wel een spion van den Graaf, gezonden om ons te verderven."

„Licht mogelijk," zeide Melis: „mij dunkt, hij deed beter van naar zijn nest te gaan, zoo hij niet met ons wil aanzitten."

„Wij kosten hem wel eens even wakker schudden," zeide Walger.

„Gjj zult den man stil laten liggen," zeide de waardin: „hij heeft zijn avondeten genomen en zonder afdingen betaald: en ik zie niet, waarom hij niet evenveel recht zou hebben om rustig te slapen, als gij om rustig te drinken."

„Nu! maar eventjes," hernam Walger: „ik zal den man geen kwaad doen. Ik wil hem voor de grap slechts eens laten ruiken, of hjj ook trek krijgt om mede te doen. En zijn kroes volschenkende, zwaaide hij naar den reiziger toe, en hield dezen het vocht onder den neus; maar de vreemdeling, plotseling opstaande, en den mantel afwerpende, die hem bedekte, vertoonde hem de welbekende gelaatstrekken van Reinout van Verona.

„Onbeschaamde dief!" zeide hij: „kunt gij dan niemand met rust laten."

De eerste indruk, welken deze verschijning op Walger deed, was, dat hij zwichtte voor het zedelijk overwicht,_ hetwelk iemand van hoogeren rang doorgaans op zijn minderen uitoefent. Hij herstelde zich echter weldra, vooral toen lig bemerkte, dat Reinout geene andere wapenen droeg dan een dolk.

„Ter hulp, Vazallen van het Bisdom!" riep hjj: „ziet daar, zooals ik zeide, een zendeling van den Hollander, een flikflooier van Graaf Willem, wiens vangst meer genoegen aan de Kapittel zal doen dan de inneming van een kasteel."

„Indien het zoo is," zeide Melis, met de andere boeren toetredende, „dan ware het zeker wel de moeite waardig?...."

„Lompe kinkels!" zeióe Reinout, de armen kruisende en in een onbeweeglijke houding blijvende staan: „is dan de oorlog reeds verklaard, aat gij zoo bulkt? Vermoeit u niet onnoodig; want mijn weg leidt naar Utrecht en ik zal hem vinden zonder uw geleide. Wat u betreft, schurk!" (zich tot Walger wendende) „gij bezorgt mij het

Sluiten