Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij gevuld was, en aan de binnenzijde nog bovendien verdedigd door een dubbel rasterwerk, hetgeen wel gedeeltelijk verrot of vervallen, maar echter voor spoedige herstelling vatbaar was. Een klein poortje, slechts even breed en hoog genoeg om een ruiter te paard door te laten, leidde tot de ophaalbrug, over die gracht geworpen, en was evenals de brug gedekt door twee torentjes, op den Duitenmuur geplaatst. Een smalle ronde gang aan 't eind der brug bracht in het slot zelf, 't geen slechts uit een grooten vierkanten toren bestond, van zwaren steen gebouwd, maar zonder eenige sieraden dan den mantel van klimop, waarmede de natuur hem aan de eene zijde wel had willen voorzien; en zonder andere versterkingen,: dan de zoodanige, welke de dikte der muren en de gelegenheid der plaats opleverden. De gedaante van dit oud en ruw gedenkstuk van vroegere eeuwen stak zelfs in dien tijd, toen dergelijke Bebouwen nog meer algemeen waren, somber en treurig af tegen net vroolijke landschap, daaromheen gelegen, en de grijsgrauwe trans deed, vooral aan de zijde, waar het klimop niet gegroeid was, dezelfde uitwerking als een koude sneeuwhoop in het vroege voorjaar op een bloembed doet. .

De oude kroniekschrijver, aan wien ons verhaal ontleend is, vermeldt niet of vader Svard zich met dusdanige vergelijkingen bezig hield, toen hij een langen blik op den ouden toren vestigde. Hoe 'tzij, hij trad de eerste brug over en, aan het kleine poortje voor de ophaalbrug gekomen, tilde hij den zwaren hoorn op, die met een ijzeren ketting aan den muur gehecht was, en blies een paar schelle noten. Hij moest echter dit sein tweemalen herhalen eer hg gehoor kreeg: althans eer een mager gelaat, dat zich aan de overzijde achter een kijkgat in den toren vertoonde, hem bewees, dat zgn verzoek om binnengelaten te worden verstaan was.

Waarschijnlijk was de wachter, die den vermomden monnik gadesloeg, over znn onderzoek voldaan: althans hij klom af, en de binnendeur van den toren ontsluitende, bleef hij aan den overkant achter de ophaalbrug staan. . ........

,Wien zoekt gjj? en wat wilt gi) zoo laat? riep hg, zgn hoofd achter om de klep van de brug stekende, den monnik toe.

„Goede vriend!" zeide deze: „laat uw brug neer, ik moet uw Heer spreken en heb geen tijd te verliezen."

.Gij zijt oud genoeg," zeide de wachter, „om te weten, datik geen Heer heb dan onzen Bisschop, en dat die in 't Zuiden van Frankrijk woont."

„Om 't even, dan moet ik den Ridder spreken, die hier huist."

„Die is weer vertrokken," riep de portier, zgn hoofd terugtrekkende: „en zoo, God zegene u."

„Hij had mij toch gezegd," zeide de monnik, met drift, „dat hij mij nooit gehoor zou weigeren, indien ik het vroeg in Sint-Maartens naam.

De portier gaf geen antwoord; maar een geraas van sleutels en ketens liet zich hooren: en weldra ging de valbrug naar beneden.

„Daar hadt gij immers wel mede kunnen beginnen," zeide de portier, „zonder mij op te houden met al uw onnoozel gereutel, dat

Sluiten