Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elk helmvizier grijnsde haar een vervaarlijk doodshoofd tegen, en onder de harnassen hoorde men het gerammel van dorre beenderen. De Graaf van Holland alleen was onder die menigte kenbaar: blootshoofds stond hij aan het roer; maar zijn gelaat was nog afschuwelijker om te aanschouwen dan het ontvleesde geraamte der overige schepelingen. Qeene kleur, geene beweging bezielde meer het aangezicht, do haren waren aan het hoofd ontvallon en ontelbare inerkteokens van nog versche wonden doorkruisten het in alle richtingen; maar het oog bleef, starend en als verglaasd, onafgebroken op de kust gevestigd. En daar, aan die kust, liet zich een niet minaer akelig tooneel aanschouwen. Een lange sleep van monniken, aangevoerd door vader Syard, geleidde, onder het zingen der psalmen voor de afgestorvenen, een doodbaar naar het klooster van Sint-Odulf en in die doodbaar, (dit gevoelde Madzy door die innerlijke bewustheid, welke ons in droomen eigen is, en ons als door ingeving datgene weten doet, hetwelk voor het vleeschelijke oog onzichtbaar is,) was het lijk van Deodaat vervat. De abt sloot den trein, en toen dé deuren van het kerkgewelf achter hem waren toegeslagen, kwam de oude man alleen naar het strand en, staande op het Roode Klif, herhaalde hij op een sleependen toon de voorspelling betreffende de Koos van D'ekama. Onder het opzeggen dier rijmen begonnen zijn gelaatstrekken te veranderen: de blozende wangen vielen ra: het blanke vel des paters werd bruin en vaal van kleur: de ronde buik kromp in: en in de plaats van den gezonden vader Volkert zag Madzy een afschuwelijke gedaante, gelijk aan die, onder welke men den boozen geest afschildert, welke" haar tandenknersende van den rand der vensterbank begluurde.

Zij wreef zich de oogen uit: het was geen droom: die gedaante zat daar, deed een sprong, en was naast haar bedstede.

Met een gesmoorden gil vloog zij haar legerstede uit, haar kamer en de trap af: zij opende een deur: eene nieuwe stof tot ontsteltenis: daar stond de moordenaar van Deodaat, of zijn schim, midden in

het vertrek. , , „ ,, ,.

Het arme meisje sprong terug, naar beneden: dan, o Uod! die zoo gevreesde Reinout volgde haar: zij stoof de huisdeur uit, ijlde zonder te weten waarom of waarheen, de eerste laan de beste in: hare knieën ontgaven haar: haar krachten waren bezweken: een dikke sluier viel voor haar oogen: het bewustzijn ontweek haar: en zij zeeg bezwijmd op het vochtige gras neder.

Wij moeten haar voor een korte poos onzes ondanks in dien bedroefden toestand laten, om ons naar den Bisschop van Utrecht te begeven.

Deze was spoedig na hot gesprek met den monnik zijn slaapstede gaan opzoeken, mede slecht tevreden over den uitslag van het onderhoud. Zijn doel toch was, gelijk ons gebleken is, niet slechts om het Bisschoppelijk gezag in Utrecht onafhankelijk te maken van a'len vreemden invloed, maar ook om dat gezag over de naburige gewesten uit te breiden: hij had zich gevleid, in vader Syard een bekwamen en behulpzamen handlanger te zullen vinden; maar 't bleek hem thans genoeg, hoe weinig deze genegen was, de Friezen aan

t

Sluiten