Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behendigheid, den grootsten staatkundige waardig, te lijnen voordeele wist aan te grijpen. Zoo plaatste hij nu voor een wijl al zijn staatzuchtige plannen uu den achtergrond, om alleen te denken over de wijze, waarop hij het lieve meisje, dat hem door de goede fortuin in handen gespeeld was, in zijn macht behouden zou. Dat hij een

feestelijke en wel een kerkvoogd was, wien het betaamde, zijn

udde met een goed voorbeeld voor te gaan, en dat een betrekking tusschen hem en een jonge deerne even onwettig als onbetamelijk was, dit waren bedenkingen, welke in het minste niet bij hem opkwamen: de gelofte van kuischheid was een dier verbintenissen, wier overtreding bij den toenmaligen zedelijken toestand der geestelijkheid het minste geteld, en, voegen wij er bjj, wier overtreding het minst berispt werd; ja het was geen ongewone zaak, prelaten te zien, die erkende minnaressen en erkende basterds hadden en toch daarom niets minder geacht en gezien werden. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen, dat Jan van Arkel nog jong en in de kracht van zijn leven was: dat hij, schoon tot den geestelijken stand opgeleid, echter altijd smaak had blijven voeden voor ridderavonturen: en eindelijk, dat hij een groot gedeelte van zijn leven reizende en buiten alle betrekking had doorgebracht: en het zal niemand verwonderen, dat de mijter en kromstaf zich niet als terugschrikkende teekens tusschen hem en de beeltenis der schoone Friezin kwamen plaatsen.

.Peter! zeide hij eindelijk tegen zijn getrouwen dienstman: .«rij hebt gehoord wat die deerne gevraagd heeft?"

De oude man vergenoegde zich met een stijven hoofdknik.

„Ik ben overtuigd, Peter! dat dit maar ijdele praatjes zijn, om ons om den tum te leiden. Gij hebt ook wel opgemerkt, dat zij stamelde, en zich meer dan eens versprak?"

Peter bevestigde deze aanmerking op dezelfde wijze.

.Welnu! gij weet ook, van welk belang het is, dat niemand ons hier zie, dan die hier noodig heeft: en zoo wij aan de herberg de komst van dat meisje ruchtbaar maakten, hadden wij hier weldra het bezoek van al ae oude wijven en leegloopers uit het dorp te wachten: en wij zouden ons niet slechts aan ontdekking, maar ook aan bespotting blootstellen."

Het droog gelaat des slotbewaarders nam de scheeve uitdrukking aan van iemand, die door zijn betrekking gedwongen is heigeen men hem opdringt voor goede munt aan te nemen; doch die wel wil te kennen geven, dat hij zich niet om den tuin laat leiden. Arkel hield zich, of hij dit niet bemerkte en ging op denzelfden koelen toon voort:

.Het zon echter strijdig met alle menschelijkheid zijn, dat arme meisje, t welk hard ziek schijnt en misschien wel in de hersenen

fekrenkt is, de deur uit te zetten; en het zal daarom nuttig zijn, et oogenblik af te wachten, dat zij wat kalmer en bedaarder is, om haar te ondervragen, en zoodoende achter de waarheid te komen; tsn einde te ontdekken, hoe wij met haar handelen moeten." — Hier zweeg hij; Peter zag hem met een open mond aan; alsof hij zeggen

Sluiten