Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,De Graaf begeert mijn hoofd. Waant gij, dat ik geneigd ben, hein

^Die^lust0moet dan spoedig bij hem zijn opgekomen; of gij hebt het erg verbruid; want eergisteren nog waart gi) zijn getrouwe meIlekamper:. ■.. maar zacht! waart gij het niet, die een anderen Ridder, uw boezemvriend, gelijk ik vernam, tot een strgd uitdaagde

°PReboutevedrb°eekte en beet op de lippen. „Hij was vriend " zeide hij met een weifelende stem: „maar het heeft zoo moeten zijn. Zie deze vlekken," vervolgde hij, zijn mouw toonende: Wt ia het bloed van Deodaat, mijn wapenbroeder.

" Ik hoop dat het in open kamp was," zeide Arkel: „intusschen, ik*beklaag u beiden; zulk een overwinning moet even zwaar val-

16 Op1Sdite oogenblik trad, zeer gelukkig voor Reinout, de oude Peter binnen en meldde zachtjes den kokeier bg zijn meester aan.

Ikzalbiiliein komon," Hernam de Bisschop: „welaan!" vervolgde hii'tot Reinout: „uw mannelijke uitdaging heeft mij getoond, dat gg een rechtschapen Ridder zijt, en zoodanig mgn vertouwen waardig De tijd spoedt voort: en ik heb nog veel te verrichte^ vergezelt mij nog heden naar Utrecht. Wi, zullen onderweg ons -esprek vervolgen. Wees zoo goed, mij zoolang in de zaal te wachten. B }fet het uiten dezer woorden vertrok hg, de deur zorgvuldig achter zich sluitende. „Ofschoon ik," zeide hij bn zich zeiven, „vee. vertrouwen stel in 's Ridders eerlijkheid, hecht ik nog grootere zeteÖ™— goeden sleutel, i Ai.! myta eij op deze wijze met mijn geheimen te koop? Bn bint-Maarten, wij tullen zorgen, dat uw geklap memand meer hindere.

Beneden aan de trap gekomen, vond hg Barbanera en wenkte

dezen, hem in een zijvertrek te volgen. . , .

„Hebt gij tijdingen?" vroeg hij hem, in zuiver Italiaansch. ,dat gii ons zoo vroeg reeds de eer van uw bezoek verschaft. t .,

Ik kwam de bevelen van uwe Hoogwaardigheid vernemen, zeide de*kwakzalver: „en daar de Stichtsche benden hier weldra zijn zullnn achtte ik het plicht, dat intijds te doen.

„En was het ooi plicht," vroeg Arkel, op een strengen toon: „onze geheimen toe te vertrouwen aan dien windbuil, die mg zoo

"tt 1SSS SÏLwd: zeide Barbanera: .M „iet reed, alles: en daar ik vreesde, dat hg babbelen mocht, achtte ik het

S.h"k;»en zeide Arkel,

'""ik'kra hS'lSe?daSl^PJlhara gieteren jich zelve» nog keede : en dit is zel™r, dat hij u van dienst kan zijn. Wat zoudt gij wel geven, Hoogwaardigste! om in Friesland een vermogenden vriend te bezitten, op wiens erkentenis gii zoudt kunnen staat maken.

„Dit ware een goede aanwinst," zeide Arkel, „maar wat heeft dit met dien Reinout te maken? In welk verband....

Sluiten