Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bevelhebber scheen eenigszins verrast door deze fiere toespraak; gelijk het meer gebeurt aan lieden, die een hoogen toon voeren, wanneer zij iemand vinden, die hen staan durft. Hij geraakte verlegen, en zag zijn makker zijlings aan.

„Welnu!" vervolgde^ Arkel, die zich als een kind vermaakte met de bedremmelde houding des hopmans: „ben ik u geen antwoord waardig? komt gij hier alleen binnenstuiven om weer terug te keeren als een schaatsenrijder, die de baan ten einde eereden is?"

„Wij komen hier," antwoordde IJselstein, die zijn stoutmoedigheid had teruggevonden, „om het slot te bezetten in naam van het Bisdom van Utrecht."

„Ik ken hier niemand dat recht toe," antwoordde Arkel, „dan den Bisschop, mijnen Heer en den uwen. Hebt gij een lastbrief, door hem geteekend?"

„Vriend!' zeide IJselstein: „zoo gij een dienaar des Bisschops zijt, zult gij weten, dat hij bij zijn vertrek zijn gezag aan de Kapittels heeft overgedragen, uit welker naam ik spreek.

„De Kapittels mogen vrij over kerkelijke aangelegenheden beschikken," hernam Arkel, die er genoegen in vond, den hopman in de war te brengen, en tevens naricht zocht te bekomen omtrent sommige punten, waarin hij belang stelde: „maar zij hebben niets met des Bisschops bijzondere eigendommen te schaffen. Hier ben ik meester, tot zoolang zün Hoogwaardigste terugkeert."

„Dit slot is gebouwd tot dekking der grenzen," zeide IJselstein: „en daar men eerstdaags oorlog met Holland verwacht, zoo heeft men begrepen, hier inlegering te zenden. Gaan de Kapittels hunne macht te buiten, zij mogen zulks aan den Bisschop verantwoorden: ik volg mijn last, en zal dit slot bezetten met mijn volk, zonder uw verlof te vragen."

„Vergeet niet/ zeide Arkel, met een verachtelijken glimlach: „dat uw volk hier nog niet ingetrokken is. Voor 't oogenblik ben ik nog niet in uwe macht: gij zijt in de mijne."

IJselstein zag beurtelings den Bisschop en zijn makker aan. Men had hem binnen Utrecht verzekerd, dat er zich niemand op het slot bevond dan een oude dienaar: en hij stond verbaasd, een man te vinden, die als meester sprak.

.Hoe nu!" vervolgde Arkel, „zijt gij de brave borst, die dit kasteel tegen de Hollanders verdedigen moet? en de bloote stem van ■een wapenloozen man doet u beteuterd staan, ofschoon gij met u beiden, en in 't harnas zijt?"

„Mijn Heer! wie gij ook wezen moogt," zeide IJselstein, met fierheid: „weet, dat ik voor geen vijand sidder: en dat, zoo uwe woorden een beleediging insluiten, ik gereed ben, mjj met u in besloten kamp te meten, waar gij goedvindt, alles ingevalle gij uit adellijk bloed gesproten zijt. Maar ik beken, ik sta versteld, hier iemand aan te treffen, die uit de hoogte tot ons spreken durft, en ■de macht der Kapittels in twijfel trekken."

„Zoo! nu spreekt gij als 't betaamt," zeide Arkel: „hoor! ik laat mg wel vinden. Dezen namiddag kunt gij met uw volk hier binnen-

Sluiten