Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dachte: Madzy zal weten, dat ik haar vijanden bestreden heb. Neen .Madzy. neen, gij zult niet onbarmhartig en onverbiddelijk wezen: gn zult mij met verlaten, mij, die u zoo teeder liefheb, om u te gaan blootstellen aan de onzekere kansen van een zwervend leven. O! wend uw gelaat niet af! zie niet toornig! laat ik in uw oogen een enkelen blik van deernis lezen voor zooveel liefde."

Neen! het was geen blik van deernis; het was een blik van diepe verontwaardiging, welken Madzy vestigde op den man, dien zij aan hare voeten zag.

.,h®bt schandelijk en onridderlijk met mij gehandeld," zeide f * S'J bebt mij met valsche beloften misleid om mij in uwe macht tehouden: en ik ben dwaas genoeg gewoest om geloof aan uwe betuigingen te hechten. Laat mij van hier gaan: gij hebt geen recht om mij mijns ondanks terug te houden."

„En wat is dan mijn misdaad geweest?" vroeg Arkel: „is het mij

Yvi-?D-' zo? ?rastandigheden hebben te zamen gewerkt om uw verblijf in dit huis te verlengen? Ik beken, ja, dat ik dit gunstig toeval gezegend heb, dat ik, toen elke blik, dien ik op u sloeg, elk woord, dat ik uit uwen mond hoorde, mij eene nieuwe voortreffelijkheid in u ontdekken deed, den hemel gesmeekt heb, oi« het tijdstip nog verre te verlengen, waarin gij van scheiden zoudt gewagen, ja, zoo t zijn kon, het voor eeuwig te verschuiven. — Is dat een misdaad, u te beminnen? ja! dan Den ik de grootste misdadiger onder den hemel; want mijn liefde voor u is sterker, dan ik die uit kan drukken. Ln waarom zoude u die liefde vertoornen? Ben ik dan zoo onwaardig, u te verdienen? Gij zelve, gij hebt u kunnen overtuigen, dat ik als Ridder de wapens weet te voerer: om u alleen neb ik gestreden tegen dien trotschen Graaf, die u vervolgde! en zoovele wakkere oorlogslieden, voor deze muren ge/allen, kunnen tot getuige strekken of uwe zaak mij ter harte is gegaan. Wat mijn adel betreft: er is geen huis, ook dat des Graven nijt, dat zich op een hoogere en schoonere afkomst beroemen kan: o! versmaad mij niet: niemand is meer in staat dan ik, u een gewenjcht en heerlijk lot te doen verwerven. Wat kan u dat Friesland, vaaraan gij zoo gehecht schijnt, anders beloven, dan treurige, eenttnige dagen, in verveling doorgebracht op een koude, vochtige stim, waar uw oog mets ontwaart dan een weide, een korenveld en een meertje: waar gij geen ander gezelschap vindt, dan boeren, wier tail geen schepsel kan verstaan, en edellieden, nog lomper en onverdraaglijker dan uw boeren. Maar aan mijne zijde zullen uwe dagen vroolijk en blijde daarheen vlieten: al de vermaken, al de weelde, die de wereld ons aanbiedt, zullen u worden toegevoerd: geen wensch sult gij kunnen vormen, die niet terstond zal verhoord worden. De keur van de schatten, welke de aarde ons aanbiedt, al de genoegens, welke het leven veraangenamen, al de pracht, welke het masgdenhart kan streel en, zal ik aan uwe voeten brengen: niets zal mi te kostbaar, Je moeilijk vallen, om uw geluk te bevorderen: en ik zal mij heilrijk noemen, indien nu en dan slechts een enkele blik Tan tevredenheid mime pogmgep beloont."

Sluiten