Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ridder!" zeide Madzy: .indien ik in vrijheid ware en in 't midden van de mijnen, en gij kwaamt dan mijn hand en mijn liefde vragen, dan zou ik u doen hooren, hoe ik over uwe voorstellen dacht. Thans moet ik die alleen met stilzwijgen beantwoorden. JJe vogelaar kan het onnoozele vinkje in 't kooitje sluiten of den kop inknijpen; maar hij vergt niet van het arme dier, dat het vrijwillig in zijn kerker blijve, of het rondfladderen aan de koord boven het eenot van Gods vrije lucht verkieze." .

Moet ik," vroeg Arkel, „uit uwe woorden zeiven, met afleiden, dat ik als de vogelaar moet handelen^ en u als het eigendom beschouwen, dat mij een gelukkig toeval in handen heeft gespeeld.

Neen!" zeide Madzy, ontsteld: „zoo laag zult gij met handelen. Zoo er nog een sprank van eer in uw boezem overblijft, laat mij

dan van hier vertrekken."

En waar zoudt gy heengaan? het leger des Graven sluit onze muren in: vruchteloos deedt gij een poging om te ontkomen, «ij zoudt in zijn handen vallen, en Rijnsburg zag u weldra binnen zijn

^liever mijn leven in Rijnsburg, dan een dag langer in dit huis "ebleven; — maar uw zwarigheid wegens de macht des liraven is f|del. Ik zal hier in Utrecht nog wel een schuilplaats vinden.

Beproef het eens," zeide Arkel met een boozen glimlach, „bel slechts aan de poort van het eerste klooster het beste. O! de geestelijke zusters zullen u met opene armen ontvangen, wanneer zij vernemen, dat gij zes weken hebt doorgebracht in de woning van een wakker jong Ridder, zonder ander gezelschap dan de eerzame

Mechtelt Dirksdochter." . , .

Al het bloed van het onschuldige meisje vloeide naar haar hart terug op het hooren van deze taal; want zij voelde er al te wel de juistheid, de vreeselijke waarheid van: het denkbeeld, dat haar goede naam op een zoo schandelijke wijze was blootgesteld aan verdenking, ja wellicht onherstelbaar verloren, was voor ha» geschokt zenuwgestel te schrikkelijk om verduurd te worden. Zij zonk in haar stoel, bedekte zich het gelaat met beide handen en smolt m

tranen W62» #

Ween niet, beminde vrouw!" zeide Arkel, wiens hart niet boosaardis genoeg was om haar diepe droefheid onbewogen aan te zien: „ween niet: mijne liefde voor u zal alles vergoeden. Een woord mt uwen mond: en geene kwellingen zullen u langer het leven vergallen; maar ziet dit wel in: gij zelve zijt voortaan alleen meesteres van uw lot. Verlaat deze woning, en gij zult door laster uw goeden naam zien bezwalken: gij zult tot een voorwerp van spot en minachting verstrekken aan de zoodanigen, die niet waardig zijn uwe schoenriemen los te binden; — doch blijf bij mij, en macht en aanzien zullen uw deel zijn en gij zult onder uw voeten vertreden ai wie de stoutheid heeft om u slechts een norsch gelaat te toonen.

„Neen!" snikte Madzy: „zulk een afschuwelijke boosheid heett nooit bestaan. Verfoeilijk mensch!" vervolgde zij, hem met ijzing aanziende: „wie zijt gij?"

Sluiten