Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

11 faut sulvre Cassandre ou cboltlr Anttgorie.

Voltaire. Olympie.

Toen Arkel zich uit het vertrek van Madzy verwijderd had, was hij naar den kant gegaan, waar het geroep vandaan was gekomen en waar hij spoedig Reinout vond, die, altijd onder de aangenomene wapenrusting van den Ridder des Rooden Adelaars, bezig was met hem overal te zoeken.

„Gij hebt welgedaan van te komeu, Otto!" zeide hij met een luide stem: „ik zou u bijna reeds zijn gaan opzoeken in de verbodene vertrekken," voegde hij er zachtjes bij.

«Wat is er gebeurd?" vroeg Arkel, haastig met hem in een zijvertrek gaande: „is de vijand in de stad?"

„Neen!" zeide Reinout, wiens gelaat van angst en toorn scheen te gloeien: „maar ik wilde u het vertrek doen verlaten, waar gij u in bevondt, en waar ik niet binnen mocht komen, zonder mijn belofte te schenden."

„Wat is er dan zoo dringends?" vroeg de Bisschop, die reeds in een kwade luim gebracht was door den slechten uitslag van zijn bezoek bij Madzy, en bij wien deze woorden van Reinout weinig geschikt waren een betere stemming te doen ontstaan.

„Bisschop van Utrecht!" zeide Reinout, hem met fonkelende oogen aanziende: „wie is het meisje, dat gij daar in de gindscho kamer houdt opgesloten?"

„Stil! stil toch!" zeide Arkel, zich verbijtende: „gij weet immers, dat ik slechts uw schildknaap ben."

„Geef antwoord!" hernam de woedende jongeling, „of ik ga uw naam overluid op de markt schreeuwen."

„Dat ware vrij ondankbaar van uwentwege," zeide Arkel: „maar herinner u, dat gij mij uw woord gegeven hebt van geen onderzoek te doen naar hetgeen gij thans begeert te weten."

„Ik herinner mij niets van dien aard," zeide Reinout: „integendeel weet ik zeer wel, dat ik u alleen beloofd heb, niet in de verboden kamer te komen en dat gij verder geen eeden van mij gevergd hebt; ik zou uwe geheimenis geëerbiedigd hebben, indien mij met een toeval zoooven had doen ontdekken, hoe schandelijk ik door u beleedigd ben geworden."

„Beleedigd! door mij!" herhaalde Arkel: „en wat hebt gij dan vernomen ?"

„Ik heb zooeven dat oude vijf ontmoet, hetwelk gjj tot de oppassing, zoo 't heet, der zieke deerne had aangenomen, ik hoorde haar mompelen: zij vloekte op u; zij beklaagde zich dat gij haar had toegegrauwd, en dat zij meer last had van eene zotte Friezin, dan van al de mooie meisjes, die zij ooit onder haar bewaring had

Sluiten