Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had kunnen denken, toen wg, zes weken geleden, te Plaswijk bh den kroes zaten, dat ik u hier zoo ongelukkig zoude vinden rotten i Daar hebt gij nu wat aan gehad, om uw wiif te slaan en met eens andermans paarden door te gaan. Ik geloof _wel, ^Jonkvrouw, dat uw vos voor hem schrikte. Zij zijn oude kennissen.

.Hoe!" zeide Madzy: „was die ongelukkige de man

-De man van Elske. met uw verlof," zeide Daamke : „en de dief van het paard, dat gij berijdt. Maar komJ" vervolgde hij, de bleekheid bespeurende, welke deze herinneringen over Madzy s gelaat hadden verspreid: „het wordt tijd om verder te gaan, indien wij nog heden te Amersfoort willen zijn." ,

Bedrukt en sidderend begaf Madzy zich weder op weg. „t*ij waart dan te Plaswijk," voer zij voort: „en dat dier, was het met u i

„Bij mijn zotskolf! Jonkvrouw!" zeide Daamke: „nu ik mij wel bezin, moet gij geen goed oog op mijn Cezar hebben; want, alles wel beschouwd, Degin ik te begrijpen, dat hl] u uit uw slaapplaats

verdreven heeft." , , , ,

Madzy bloosde; want zij zag nu in, hoe ongegrond haar schrik in dien nacht geweest was, en hoevele onaangenaamheden zij zich had kunnen besparen, indien zij geen gehoor had gegeven aan de eerste opwelling van den angst, maar bedaard onderzocht, of de verschijning, welke haar verraste, natuurlijk ware of niet. „Cezar . Cezar!" zeide zij, het beest met den vinger dreigende: „gij hebt mij vrij wat onheils berokkend." „ T ,

„Kom!" zeide de hansworst: „gil moet het jem vergeven. Jonkvrouw ! om der goede diensten wille, welke hy u bewees, door dat zaterdagsche wijf, dat u zoo gebruid heeft, een frisschen knauw

te steven." , .... ±. v

Stil!" zeide Madzy: „over haar verlang ik mets meer te hooren, noch ten goede, noch ten kwade.... maar zeg mij, ziet gy ginds geen stormhoeden blinken achter de heggen?

.Juist! wij komen hier aan den buitensten cirkel van de legerplaats: en daar is geen bidden voor; wij moeten er door. Zj houden scherpe wacht hier, dat beloof ik u: en ware het niet door dien Jonker van Naaldwijk geweest, wien God loone en spoedig zijn riddersporen met eere doe verwerven, wil hadden er wel eeuwig kunnen staan blauwbekken. Ik hoop intusschen, dat wij hem weer ontmoeten; maar 't zij hoe 't zij. Jonkvrouw! er moet ««

gelaat getoond worden en een liedje gezongen: hoe luidruchtiger wii zijn, hoe minder kwaad vermoeden wij zullen wekken.

En aanstonds ving hij aan met een heldere _ stem een liedje te zingen, waar de inhoud ongeveer van was als hier volgt:

DE VEERMAN AAN DE LEK.

Jan Carels zit aan het Lekkerveer En vaart met zijn pontje al heen en weer:

En wie aan Jan Carels geen tol betaalt,

Hij wordt met zijn pontje niet overgehaald.

Sluiten