Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar roept hem een monnik, een man van verstand: * Ei. spoedig! gij veerman! naar d' overkant!"

„Mijn pontje is klaar," zegt de vroolyke gast:

„Maar hebje nu al in de beurs getast?" —

„De monniken dragen geen benrs op zij."

£Dan spreek je mi] straks van mijn zonden vrij.

'? -P®ter zjin tol met een aflaat betaalt,

Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!" —

Daar roept hem een kook'ler, een geestige kwant: „Ei, spoedig! gij veerman! naar d' overkant!" —

„Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast:

„Maar hebje nu al in de beurs getast?" —

„Mijn aapje is kaal en zijn baas is als hij!"

„Welaan dan : zoo doe hij drie sprongen voor mij; De kook'ler zijn tol met een kunstje betaalt,

Of hg wordt door Jan Carels niet overgehaald!" —

Daar roept hem een meistreel, de veêl in de hand: „Ei spoedig! gij veerman! naar d' overkant!" —

„Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast:

„Maar hebje nu al in de beurs getast?" —

„De meistreel is arm, geloof mij vrij."

„Welaan dan: zoo zingt gij een deuntje voor mij. De meistreel zijn tol met een liedje betaalt,

Of hg wordt door Jan Carels niet overgehaald." —

Daar roept hem een meisje, een bloem in de hand:

„Ei spoedig: gij veerman! naar d' overkant!" —

„Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast:

„Maar hebje nu al in de oeurs getast?" —

„Och, veerman,_ zoo waar, 'k heb geen penning bij mij." —

„Zoo schenk mij uw bloem en een kusje daartyj."'

Het meisje haar tol met een kusje betaalt,

Of z\j wordt door Jan Carels niet overgehaald." —

D&ar roept hem een Heer, rgk in goed en in land: „Ei spoedig! gij veerman! naar d' overkant!" —

„Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast:

„Maar hebje nu al in de beurs getast?" —

„Neen lomperd, van veergeld is de adeldom vrij." — «Dan blijfje maar, vriendje, aan de overzij;

Want wie aan Jan Carels geen tol betaalt,

Die wordt met zijn pontje niet overgehaald."

...HS had zijn lied geSindigd, toen zioh reeds eenige wapenknechten, die hier aan de voorposten stonden, en deels op hun strijdkolven, zeisen of bogen leunende, deels langs den weg nederzittende, zijn gezang beluisterden, met een vroolijk gelach, hetwelk aan Madzy tot

Sluiten