Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reisgenoot aan den ingang kwamen, scheen de aandacht van al de aanwezigen op eenmaal te worden afgetrokken door zeker voorwerp, dat zich midden op den weg bevond, en waar omheen zich allen ras verzamelden. Wat het echter ware, kon noch de Jonkvrouw, noch de monnik ontdekken, daar de toevloed der omstanders gedurig aangroeide en zulks verhinderde.

De monnik had voor den ingang de beide paarden doen halthouden en van onder zijn kap eenige donkere blikken om zich heen geslagen, ten einde te ontdekken, of er geen mogelijkheid ware, zijn weg te vervolgen, zonder de gevreesde omheining binnen te rijden; maar hij zag spoedig, dat hiertoe geene mogelijkheid bestond: en terwijl hij dus besluiteloos rondzag, reed Madzy, die inmiddels haar tegenwoordigheid van geest herkregen had, onvervaard het poortje binnen-

„Verzoek uw nopman hier te komen," zeide zij, zich met waardigheid tot een ouden krijgsknecht wendende, die met een speer op den schouder kwam zien, wat dit bezoek te beduiden had.

„Wat duivel! komt gij uit de lucht vallen?" vroeg de speerman, over deze toespraak en nog meer over hun onverwachte verschijning verwonderd: „slapen zij op de voorposten? Ziedaar een dronken hansworst, een monnik en een jonge deerne, die zij doorlaten en ons zonder geleide op ons dak sturen, alsof het kamp een kroeg ware, waar elke leeglooper onverhinderd insnijdt."

Madzy achtte het onnoodig den nieuwsgierigen krijgsman te antwoorden, dat men aan de voorposten waakzaam genoeg was. „Ga!" zeide zij: „en haast u, bevel aan de voorposten te zenden, om den man, met wien zij bezig zijn, geen leed te doen, maar onverhinderd hier te brengen."

„Wat hamer!" zeide lachende een uit den hoop (want inmiddels waren ettelijke krijgslieden naar dit nieuwe voorwerp hunner nieuwsgierigheid komen aanwandelen): „zijn wij onder 't spinrokken vervallen, dat wij bevelen ontvangen van een jonge meid?"

„Gij kunt vrij lachen," zeide de speerman, die het eerst gesproken had, en wien een grijze baard en een verbrand, met een paar breede litteekens versierd gelaat als een ouden gediende leerde kennen: „er moet iets aan de voorposten gebeurd zijn: en ik geloof, dat ik wèl zal doen, te handelen juist zooals die deerne het mij verzocht."

„Zie dien ouden snoeshaan," hernam de andere soldaat: „altijd hoffelijk, als ware hii een Ridder, die zijn meisje dient."

„Eene zeer ju'V*e aanmerking," zeide de veteraan: „waarvoor gij, Gilles Adriaansz! het voorrecht zult hebben met uw vijf man naar den voorpost te gaan en te zien of alles rustig is. — Zoo er lieden aangehouden zijn, breng ze hier. Ik zal zelf naar den hopman gaan."

Dit gezegd hebbende, richtte hij_ zijn schreden naar eene der tenten, terwijl Gilles Adriaansz, weinig tevreden met den hem opgedragen last, waartegen hij zich echter niet dorst te verzetten, de vyf man, welke onder zijn bevel stonden, bijeenriep en met hen naar den voorpost wandelde.

„Wat wilt gij ?" vroeg de monnik met een fluisterende stem aan Madzy.

Sluiten