Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sproot uit een oprechte, teedere verknochtheid, die het gevolg van een langdurigen, schier broederlijken omgang was, en van alle denkbeelden van D&atzacht afgescheiden.

Onze heldin had echter niet lang tgd om haar meewarigheid te toonen; de oude speerman keerde terug met een jeugdigen schildknaap, die haar de boodschap bracht, dat zgn meester haar wachtende was, en haar tegelijk de hand bood om haar van 't paard te helpen. Terwijl zij, afstijgende, den knaap bedankte, zag z(j hem in 't gezicht, en het kwam haar voor, als had zy hem voordezen nog eens ontmoet. De spotachtige glimlach, die op zjjn lippen zweefde, scheen deze meening te bevestigen.

De monnik steeg insgelijks af, als met het oogmerk om zijne reis-

fenoote te vergezellen; maar de veteraan verhinderde dit: ,de Ridder

eeft nog onlangs gebiecht," zeide hij: „hij heeft nu alleen van de deerne gesproken: — misschien," voegde hij er bij, lachende om zijn eigene geestigheid, „zal hij een priester noodig hebben als het meisje van hem af is."

De monnik trilde van toorn; maar hjj hield zich in; en tegen zijn paard leunende, bleef hn staan, als in diep gepeins verzonken, terwijl de naastbystaande knechten meenden hem in zich zeiven te

hooren mompelen: „ja! 'tis misschien beter, dat zij alleen gaat

wie zou haar kunnen weerstaan?" Sommigen echter merkten op, dat hij gedurende Madzy's afwezigheid blaken gaf van innerlijke onrust en dat hij meer dan eens met de hand krampachtige bewegingen maakte en onder zjjn kleed voelde, alsof h\j een wapen zocht om zich tegen een onverwachten aanval te verdedigen.

Ondertusschen was Madzy haar jeugdigen leidsman gevolgd, die haar, tusschen twee rijen tenten door, geleidde naar die des bevelhebbers.

„Onze goede Heer van Beaumont is thans niet in het kamp," zeide de schildknaap, haar op een prachtig paviljoen^ wijzende, dat gesloten en waar de banier van afgenomen was: „hg is den Graaf gaan bezoeken, die een wond aan den voet bekomen heeft. Daarom breng ik u bg mijn meester, die in zgn afwezigheid over dezen post bevel voert.

„En wie is uw meester, goede schildknaap?" vroeg Madzy.

„Ho! Jonkvrouw! dat zult g\j ras bespeuren.... iemand,

wien de schoone Madzy niet vergeefs om een gunst zal vragen, dat beloof ik u."

„Gij kent m|j?" zeide zg verbaasd:.... „maar nu ik mg wel herinner, ik heb n ook gezien, in een anderen dos! — zijt gij niet de neef vu die vriendelijke Jonkvrouw van Naaldwijk, welke mg op den Vogel esang met zooveel hartelijkheid behandelde?"

„Juist geraden, schoone Jonkvrouw! Ik ben Zweder van Naaldwijk, en neb de muts van den page voor den stormhoed verwisseld, om de edele wapenkunst te leeren bg den braven Bidder, voor wiens tent wjj ons thans bevinden."

Dit zeggende hield hg stil voor een paviljoen, dat wel niet szwierig of prachtig, maar toch ruimer scheen dan de overige. Ken

Sluiten