Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schildknaap, ouder dan Zweder, stond voor den ingang bezig met een klein kamertje de bulten en blutsen uit zgns meesters harnas te kloppen.

Na aangediend te zg'n, trad Madzy de tent binnen. Het eerste voorwerp, waar haar oog op viel, was een sluier^ met zilveren lieren

feborduurd en afhangende over een wapenrusting, die midden in e tent prijkte. Haar tweede blik viel op den bewoner der tent: en zij had moeite om zich staande te houden, toen zij in dezen de onvergeetbare trekken bespeurde van hem, wiens beeltenis haar zoo vaak voor oogen zweefde, van Deodaat van Yerona.

De verrassing van den Bidder was groot: echter minder dan de hare; want Zweder had hem reeds gemeld, dat hij Feiko verlof gegeven had om binnen Utrecht te gaan; maar weinig had hij durven hopen, dat die trouwe dienaar zoo voorspoedig in zijn onderneming geslaagd zou zijn, om denzelfden dag nog, en wel met Madzy terug te keeren.

Een vroolijke glimlach helderde het gelaat des Ridders op: hij gaf Zweder een wenk om zich te verwijderen en, de eenige zitbank opnemende, welke zich in de tent bevond, zette hij die voor Madzy neder, terwijl hij intusschen geene andere woorden vinden kon om zijn blijdschap te schetsen, dan: ,12 het mogelijk? welk een gezegend toeval vergunt mij dit genoegen V 't Is meer dan ik had kunnen hopen of verwachten!"

„God zij geprezen! gij leeft dan nog," was alles wat Madzy uit kon brengen: naar gemoed was zoo vol, de verrassing zoo volkomen, cn haar blijdschap zoo groot, dat zij zich op het punt gevoelde van in ffauwte te vallen. Terwijl zij wankelende een steun zocht, onderving haar de arm van Deodaat. Zij zonk met het hoofd tegen zijn schouder en weende.

O! welk een vloed van zoete, van hemelsche aandoeningen doorstroomde het gemoed des jongelings. Zij, welke hij zoo onuitsprekelijk teeder beminde, zij, welke hij gevreesd had nimmer terug ra zullen zien, zij lag vertrouwelijk in zijn arm: haar adem beroerde zijn wang en hare tranen getuigden, dat het weerzien haar niet onverschillig was. Met welk een onstuimige vreugde sloeg hem het harte, toen hij het hare daartegen voelde kloppen! Maar wat wagen wij, het

fevoel te malen, dat zijne ziel vervulde? Al wie, gelijk nij, eenmaal et geluk heeft gesmaakt, van het geliefde voorwerp na een scheiding, die men eeuwig dacht, terug te zien, zal die gewaarwordingen gevoelen; voor anderen zouden wij die vruchteloos beschrijven.

Weldra echter vervloog als een zalige droom de zoete vreugde, welke ook Madzy in deze omarming smaakte, en vertoonde zich het wezenlijke van haar toestand voor haar oogen. Zij schaamde zich, aan hare zwakheid te hebben toegegeven. Zachtjes maakte zij zich uit de armen van Deodaat los, eer deze nog de stoutheid had durven gebruiken, om het gunstige oogenblik waar te nemen en op den mond, wiens adem hg voelde, een vurigen kus te drukken: zij zette zich op de zitbank neer en zag bedeesd voor zich.

„Maazy! aangebeden Jonkvrouw!" stamelde Deodaat, terwijl hij

*. w III. 19

Sluiten