Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Madzy beloofd, haar te zullen roepen zoodra hij ontwaakte. Zjj waa dus, te dezen opzichte gerust, de deur uitgetreaen en verkwikte zich met de_ liefelijke buitenlucht, welke haar tegenwoei. Zich niet verre van huis willende verwijderen, wandelde zjj een geruimen tijd op en neder voor de stins, welk gebouw uit een verzameling van onderscheidene woningen bestond, waarvan de voornaamste, die zich pf"1 de westzijde bevond en tot verblijf voor den Heer strekte, van steen opgetrokken, twee verdiepingen hoog en met een gekartelden toren voorzien was, waarboven thans de banier van Aylva woei, zijnde een lazuur veld met een ster eu een halve van goud. Aan

dien toren grensde een half houten, half steenen huis, hetwelk door den pachter en zijn huisgezin betrokken werd en waaraan eenige lagere gebouwen, als de schuur, de stal, de bakkerij en dergelijken paalden. Hier en daar zag men nog sporen van versterking, door «en bouwmeester aangebracht; maar deze waren bij vervolg van tijd tot andere gebruiken besteed: en het eenige verdedigingsmiddel, dat nu nog overig bleef, was in de dikte der muren van het hoofdgebouw gelegen, en in de breede gracht of sloot, die het erf van den landweg scheidde. Een ophaalbrug en daarnaast een plank of vonder voor de voetgangers waren de eenige middelen, langs welke toegang naar de stins verleend werd, terwijl een groote bulhond, die gedurig langs den rand van het water heen en weder liep, den l , yrijpostigen voorbijganger door zijn norsch aanzien en onophoudelijk geblaf beduidde, hoe gevaarlijk het zoude zijn, tegen den wil des bewoners dien toegang te willen gebruiken. Ja zelfs, toen Madzv zich op de werf vertoonde, bleef het dier haar, schoon zij van binnen kwam, eenigszins schuins aanstaren, stond stil en begon te knorren, terwijl het zijn gewone wandeling niet hernam, dan toen de pachtersvrouw, die in haar zomerhuisje zat, hem van verre toegeschreeuwd had, dat hij zich bedaard had te houden.

Niet lang echter had Madzy in eenzaamheid de werf en den hof op en neder geloopen, toen zij in haar mijmering gestoord werd door een kletterend hoefgetrappel op den landweg, en weldra eenige ruiters zag aankomen, die voor de brug stilhielden. Twee hunner stegen af: en nu herkende zij in dezen, niet zonder siddering, Seerp Van Adeelen en Reinout, die, na hun paarden aan de zorg hunner dienaars te hebben toevertrouwd, aan gene zijde des vonders bleven staan.

«Roep uw hond terug, vrouw!" schreeuwde Adeelen: „wij komen den Heer van Aylva bezoeken."

De pachtersvrouw gehoorzaamde en de beide edellieden traden de werf op.

De eerste gedachte van Madzv was, binnen te gaan en zich te OMtakken aan een gezelschap, dat zoo onwelkom was. Zij begreep echter spoedig, dat dit weinig zoude baten en dat de ruiters waren gekomen, 6f om den Heer van Aylva te spreken, 't geen zij moest zoeken te beletten, öf om een onderhoud met haar zelve te hebben; — en dan was zij nog minder voor hen beiden vervaard, dan zij voor een hunner afzonderlijk zoude geweest zijn.

Sluiten