Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar die slechts één woord verwachtte om in een werkzame te veranderen. Naast den schipper zat iemand, in den bloei zijner jaren, op een blauwen mantel neder, met witte lieren bezaaid. Zjjn gewaad was echter dat van een koopman; zijn oog gaf onrust en ongeduld te kennen en scheen bestendig den schipper te ondervragen, die echter te voorzichtig_ was om dien zwijgenaen blik te willen begrijpen. Eindelijk kon de jongeling zich niet langer bedwingen, en, net hoofd oprichtende, dat tot nog toe op de vlakke hand geleund had, ving hn met de volgende woorden het onderhoud aan:

„Hoe jammer, dat de wind niet uit denzelfden hoek is blijven waaien: wij waren anders met het aanbreken van den dag al binnen de haven geweest."

„Gij hebt gelijk," zeide de schipper; „maar tegen de elementen valt niets te doen."

„Intusschen,'' zeide de koopman; „zoo wij niet gisteravond, door wiens schuld weet ik niet, op die zandbank waren vastgeraakt, hetgeen ons zeker drie uren heeft opgehouden, zouden wij reeds lang binnen zijn."

„Door wiens schuld? — Door de schuld van die hagelsche Friezen! van die ongelukskinderen, die de bakens verzet hebben om ons een schipbreuk te bezorgen: gij kunt overtuigd zijn, dat zij al sinds lang voor een overval vreezen, en er op uit zfjn geweest om den overtocht moeilijk te maken."

„ik geloof met u, zeide de koopman, „dat zij op hun hoede zijn, en daarom had ik gistermorgen reeds willen gaan om bij nacht in Stavoren te kunnen komen en het slot te bemannen, eer iemand de lucht van ons voornemen kreeg. Maar dat satansche volk kwam zoo laat aan: — Houdt u toch stil daar beneden," zeide hij, opstaande en op den bodem stampende: „en schept moed! wij zullen wel in de

haven zijn binnen een nalf " (hier zag hij den schipper aan, die

het hoofd schudde:) „binnen een uur " (de schipper trok het

gezicht tot een scheeven lach en wendde het hoofd om.) „Boudewijn! houd toch stilte! wat ik u bidden mag."

„Wij zijn zoo stil als wij kunnen, Heer Ridder!" riep een stem van beneden; „maar die arme kerels zijn ziek als honden en het vaartuig stoot als een kreupele hit."

Geen nood," zeide de schipper: „dat zal niet lang duren: wij komen zoo in slecht water: en dan krijgen wij een oppertje."

. „Ja! mij dunkt, wij moeten er haast zijn," zeide ae koopman, of liever deTtidder: „ik begin de huizen al te onderscheiden.

Maar dit vooruitzicht was ijdel; want na weinige oogenblikken liet de_ schipper_ het vaartuig wenden en de wal verwijderde zich weer.

„Eilieve! zeide de Ridder: „waar gaan wij nu weer heen?"

„Thans zal het gelukken," zeide de schipper: „wij zjjn boven den wind en krijgen zoo dadelijk hoog water. Met een paar gangetjes zijn wij er!"

De Ridder nam geduld, en de armen over de borst kruisende, sloeg hij_ een_ aandachtig oog op de Friesche kust. Iiecht voor hem uit verhief zich de hooge heuvel uit zee, die nog heden, ofschoon

Sluiten