Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door het golfgeweld dagelijks afnemende, zijn naam van het Roode Klif bewaard heeft. Tegen de helling en aan den voet dier hoogte graasde een talrijke kudde schapen, die al meer en meer naar de kruin terugweek, naarmate de vloed kwam opzetten. Ten noorden van het Klif en aan het einde van een zomerkade, bestemd om de invretende zeegolven te keeren, strekte^ zich een groene smalle landstrook uit, aan wier uiterste einde zich het klooster van SintOdulf met zijn hoogen toren en vergulden koepel in al zün luister verhief: en eindelijk, nog meer noordwaarts en aan den hoek van Friesland, deed zich het trotsche Stavoren op met zijn schitterende daken en ruime kerkgebouwen, met zijn dubbele haven, en zijn ver vooruitstekende kaaien, waarmede het de zee te omarmen scheen. Het gelaat des iongelings werd somberder nog dan het geweest ■was, en een vloea van gewaarwordingen overstelpte hem.

„Daar is die kust dan," dacht hij: „die kust, welke ik zoo gaarne als vriend betreden had! Daar leeft, voor wie ik met wellust al mijn bloed zoude offeren, en wier landgenooten ik thans bestrijden ga! — Zal ik haar nog zien? — Ach! zoo zij te Haarlem en te Utrecht mijn hand versmaadde, hoeveel te meer zal zij dit hier doen, nu ik als vijand kom!" _ .. , ... , ,

Terwijl Deodaat, wien mijn lezers aan deze uitboezemmg herkend zullen hebben, aldus stond te peinzen, kwam de jongste der matrozen, een nauw volwassen knaap, hem op zijde. _.j _

„Onze onderneming begmt onder slechte voortcekens, Heer Ridder! zeide dczo*

„Dat doet zij, Zweder! maar een goed krijgsman mag nimmer den moed opgeven." . „

„Ook geef ik den moed niet op, Heer Ridder! en heb voor mg zeiven geene zorg. Zoo gij sneuvelt in dezen tocht, 't geen God verhoede ! aan sneuvel ik met u, en dan is Zweder van Naaldwijk toch met eere gevallen. Maar ik ben bezorgd voor de vloot van den Graaf, die zeker reeds moet uitgezeild zijn. De matrozen zeggen, dat er weer storm zal komen; waar zij het aan zien, weet ik niet; maar zij dienen er verstand van te hebben." _

„Wij willen hopen, dat des Graven stuurlieden het ook zullen zien, en de vloot niet noodeloos aan gevaar blootstellen. Met dat al, er schijnt een vloek op deze onderneming te liggen."

„Ja! ja," zeide Zweder: „die voorspelling van Graaf Reinout en van den kokeier is menigeen voor den geest gekomen in deze laatste dagen! en, zoo ik hoor, heeft de Heer van Beaumont den Graaf nog gebeden den tocht niet aan te vangen, zonder tevens eenige benden te land te zenden." ,

„Welnu! dat zal immers geschieden," zeide Deodaat. „De Bisschop heeft bevel gezonden aan zijn vazallen in Drenthe en in het Oversticht, om gewapenderhand in Friesland te vallen."

„De Bisschop is een looze vos," hernam Zweder, met een glimlach: „hij wil ook zijn aandeel in den buit niet missen; — maar ik ben overtuigd, dat zoo de vloot eens niet landde ('tgeen God verhoede!) de heldendaden van 's Bisschop leger zich zouden bepalen

Sluiten