Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

T

tot het plokken van heidebloempjes op de vlakten van Drente om er kransjes van te vlechten; — maar zie eens, Heer Ridder! Daar naderen wij den wal weer. Is dat nu Stavoren? — Eilieve! — mij dunkt, daar staan menschen op de kaai."

„Dat doen er net," zeide de schipper: ,en dat voorspelt ons weinig goeds. Al die vrome lui staan daar ook niet bloot om naar den wina uit te uien. Ik zou zeer bedrogen zijn, indien die Workummer visscher, die ons gisteren, toen wjj op de bank zaten, kwam vragen of hij het anker qp mocht zoeken, dat wjj gekapt hadden; indien die Workummerman, zeg ik, ons niet vooruit ware. — Ja bjj mjjn ziel! daar ligt zijn schuit al in de haven! — De kans is verkeken, Ridder! — en wij zullen wel doen den steven te wenden."

«Dat niet," zeide Deodaat: „althans niet, voordat mij de onmogelijkheid blijkt, van mijn last te volbrengen. Maak slechts haast, want elk oogenblik vermeerdert de noodzakelijkheid om spoedig aan wal te zijn.

„Ook goed!" zeide de schipper: „nog een paar gangetjes en wjj zijn er."

In weerwil van de haast, die hij predikte, was Deodaat niet ontevreden, dat het vaartuig nog die twee gangetjes te doen had, vermits hem zulks den tijd gaf, om nogmaals bedaard na te denken, •welke handelwijze hij volgen moest. Des Graven last was geweest, dat hij binnen Stavoren, alwaar vele burgers nog Hollandschgezind waren, op een bedekte wijze eenig volk ontschepen zoude, het kasteel bemannen^ en de stad in bedwang houden, ten einde alzoo de Graaf dadelijk bij zijn landing een vast punt zou hebben, van waar hjj zijn krijgsbewegingen kon besturen. Deze taak van Deodaat was hachelijk en de uitslag onzeker, daar men in Holland niet juist met den stand tier zaken bekend was, en niet wist of men op de goede gezindheid der burgerij van Stavoren kon blijven vertrouwen, welke daarenboven door de overmacht der overige Friezen of door een oploop van het gepeupel kon machteloos gemaakt worden. Deodaat had daarom^ de noodzakelijkheid ingezien, bjj verrassing te handelen en zijn. krijgsknechten onder den valschen bodem verborgen van een schip, dat van boven met biervaten geladen was. Zijn plan was, dit volk bij nacht te ontschepen en daarmede naar het kasteel te trekken; hetwelk (althans zoo luidden de laatste berichten, door Claes Gerritz gezonden) geene Friesche bezetting had; maar door twee of drie lieden bewaakt werd, op wier trouw aan den Graaf men kon afgaan. Door vertraging bij inscheping en door tegenspoed op reis was er nu een dag verloren gegaan en was het noodzakelijk geworden, de onderneming tot den volgenden nacht te verschuiven. Intusschen gaf de groote menigte menschen, op de kaai verzameld, geene geringe bezorgdheid aan Deodaat, of niet zijn plan verraden en reeds te Stavoren bekend ware: en hij oordeelde net raadzaam, zich hiervan te verzekeren ten einde de zijnen niet nutteloos ter slachtbank te brengen. Het besluit, dat hij ten gevolge dier overdenkingen nam, ™ "ok datgene, hetwelk hem de menschelgklfeid en de voorzichtigheid voorschreven, hoewel het voor hem zeiven het meeste gevaar in had.

*. w. tn.

Sluiten