Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Boudewijn!" riep hg: ,kom boven, maar leg eerst uw harnas af! En gij Zweaer! hoor mjj."

Beide schildknapen waren spoedig bn hem.

„Mijn voornemen," zeide hg, „is alleen en onverwijld de stad in te eaan, om kondschap te nemen hoe de zaken staan: het schip op stroom latende liggen. Binnen drie uren kom ik weder bnu; immers zoo ik alles bevind, gelijk wij wenschen. Kom ik met terug, dan is het een teeken, dat mijn leven of mijn vrijheid bedreigd wordt: gij wendt in dat geval den steven en boodschapt den Graaf mgn

W°De twee schildknapen zagen elkaar met onrustige Wikken aan.

Welnu!" zeide Deodaat:„ hoe kijkt gij zoo zwart? Wat hapert er aan i iRidder!" zeide Boudewijn: „bij God, ik laat u niet alleen gaan:— «rii zoudt omkomen in dat vervloekte nest! Laat ons liever, of al te zamen terugkeeren, of terstond met het volk aan wal springen en naar het kasteel trekken, eer die Friesche lomperds den tjjd hebben om te bespeuren wat wij in ons schild voeren.

„Zie eens!" zeide Deodaat, naar de stad wijzende: «ziet gy daar eenig blijk van een vriendelijk onthaal?"

De afstand, waarop zij zich nu bevonden, liet hun toe, dadelijk te bespeuren, dat niet slechts de volksmenigte op de kaaa en de hoofden was aangegroeid, maar ook zag men, achter de aldf^vergamddATi, ruiters heen en weer draven en hier en daar een helm en een speer in 't zonlicht flikkeren.

Mii dunkt, gij weet reeds genoeg, zeide de schipper tot Deodaat: „en behoeft niet aan wal te gaan om verzekerd te z^n. dat men u daar een slechte welkomst voorbereidt. Gij zijt een wakker Bidder en ik maar een slechte pekbroek; maar neem den raad aan van een oud man en keer, zonder van boord te gaan, met ons terug. Ik ken die Friezen vanouds: zij zijn niet mak als zij beginnen, en hoe best ik altpd met hen overweg gekend heb, ik viel ongaarne

™ Uw D raad is welgemeend, schipper!" zeide Deodaat: .maar het komt hier op plichtsvervulling aan en geen denkbeeld van gevaar kan mij daarvan afschrikken. Door nu terug te keeren, zouden wij de Friezen, zoo zij kwaad vermoeden hebben, daarin versterken en des te meer op hun hoede doen wezen. Indien wij daarentegen nu stil op stroom blijven liggen, is wellicht tegen den avond die volkshoop uit elkaar en heeft niemand erg in ons. Daarom ook wil ik aan wal gaan; dan zal de achterdocht van zelf wijken.

„Neem mij dan in Gods naam mede,.Heer Ridder, merkte Boudewijn aan: „gij zoudt in ongelegenheid kunnen komen, en...•

„Neen vriend!" zeide Deodaat: „gn keert weer naar beneden. In u zou elk den krijgsman ontdekken. Ook is uw post bij t volk, dat

Kii aan moet voeren." _ , , .

Maar ik mag toch meegaan!" nep Zweder, hem met gevouwen handen naderende: „ik zie er immers volkomen als een scheepsjongen uit; in mij zal niemand erg hebben: en ik zal ^ongemerkt wel licht nog meer kunnen vernemen dan uw haeineia.

Sluiten