Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar handel door de mededinging der Hollandsche steden eenigszins te verminderen; maar nog was haar later verzande haven in goeden staat en druk bezocht: — en de inwoners genoten juist dat tgdperk van welvaart, zoo doodelijk voor een volk of stad, waarin men op vroegere winsten teert, en aan weelde gewoon, de noodige inspanning laat varen om te zorgen, dat de vroegere bloei door geene latere armoede vervangen worde. Sierlijke huizen vertoonden zich aan weerszijden: de stoepen waren wel niet met goud beslagen, gelijk een kroniekschrijver verhaalt, die waarschijnlijk verkeerdelijk stoepen voor stoopen (of drinkkannen) las, maar alles ademde toch die weelde, pracht en overdaad, welke aan de inwoners den naam van: de verwende kinderen van Stavoren had doen geven. Wat echter thans aan de stad een minder vroolijk aanzien gaf, was, dat in de huizen der aanzienlijkste meest Hollandsch-

fezinde bewoners, de blinden gesloten waren: alleen zag men zich ier en daar een angstig gelaat vertoonen, dat om een deurpost of over een luik heenkeek en, na een blik van medelijden op Deodaat geslagen te hebben, terstond weder verdween. _

De gemeente begon onder 't voortgaan luidruchtiger te worden. Hier en daar werden vervloekingen gehoord tegen de Hollanders en tegen den Graaf: Eienk Westra, de varensgast, begon zijn deuntje weder «mi te heffen, en het referein werd door honderden herhaald. Dit lied werd door een ander gevolgd, waarvan het slot was, dat de vogel in de knip zat: en voorts door meer, alle weinig geschikt om de gerustheid van Deodaat te vergrooten.

.Een wapeldjepinga!" riepen nu sommigen uit den hoop: „Eilieve! koopman, laat ons eens hooren welk een landsman gij zjjt: zeg mij eens na: raed hird reekt rierrene lyre; zonder hai teren, hoort gij."1)

Het bloed des Ridders kookte hem in de aderen, en hg had er veel voor gegeven om op zijn ros te zitten en dat gepeupel voor zich heen te doen wegstuiven. Hg besefte echter, dat zijn lot, en misschien ook dat van de manschappen, die hij aan boord had gelaten, er van afhing, dat hij koelbloedig bleef, en hij wist zich ook bedaard te houden, tot zoolang de Workummer visscher, die zijn komst, naar hij vermoedde, verklikt had, hem op zijde kwam.

„Ja hij is net wel," zeide hij, na hem met een zwenk te hebben gadegeslagen: „het is de man, die ons verrassen wou, maar hij is zelf verrast. Maatje! maatje 1 gg zit in de knip: en het is jammer voor u, dat gij die koopmanspn hebt aangeschoten; want hadt gn een ridderharnas aangehad, gi| nadt nog met eer kunnen onthoofd worden; maar nu is het hangen, vriendje!"

„Ga uw weg, vriend!" zeiae Deodaat, „ik versta u met.'

>) De Trienen waren gewoon, uo die gevangenen, welke zQ yoor vreemdelingen aanzegen, deze en «oortgeHJke ipreekwflzen te doen opzeggen. Die dit zonder haperen kon doen, werd tooi inboorling gehouden; maar de anderen zonder genade verdronken. Dit heette men wapeldjeplnga (waterdooping).

Sluiten