Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn vader Abt het hoogst euvel zou opnemen, indien men iemand onverhoeds veroordeelde in een stad, welke onder de bescherming van onzen Heiligen Patroon staat."

„Gij hebt volkomen wel gehandeld, Broeder!" zeide de Abt van Sint-Odulf: „en ik zou in uwe plaats niet anders gedaan hebben. Wij mogen niemand onverhoord ter dood brengen, veelmin toelaten, dat zulks door dat domme gepeupel worde gedaan."

„Recht zoo!" zeide een der Edelen: „verhoort dan dezen man ook; maar maakt het spoedig."

?Eer gij hiermede aanvangt," zeide Deodaat, die de noodzakelijkheid _ gevoelde, onbeschroomdheid tegen geweld over te stellen: „zoo wil ik vragen, of gij opgehouden hebt, het gezag van Graaf Willem, uwen Heer, te erkennen?"

„Moet men het u tienmaal zeggen?" grauwde hem Adeelen toe: „wij erkennen geen gezag ter wereld. Wij zijn vrij en willen vrij blijven."

„Welnu! het is dan als afgevaardigde van den Graaf, dat ik tot u spreek. Hier is mjjn geloofsbrief!" en meteen baalde hg een perkament uit den boezem, waarmede hem de Graaf voorzien had, ten einde hij zich daarvan in een oogenblik van nood zou kunnen bedienen.

„Hij wil in alles het voorbeeld van den Haarlemmer volgen," zeide Adeelen: „die kwam ons ook met schrifturen aan boord. Ziedaar het werk, dat wij van dergelijke prullen maken!" En, het perkament verscheurende, wierp hij Deodaat de stukken in 't gezicht.

„Gij zijt een lafaard," riep de Ridder, „maar ik zal mjj bedwingen, omdat mijn last niet aan u gericht is. Eerwaarde Vaderen! Dappere Edellieden! ik spreek tot u in naam des Graven, wiens weldaden met ondank geloond, wiens goedheid getergd is! Staat af van uw roekeloos bestaan! — Stoot u zelf en uw landgenooten niet in een onherstelbaar verderf, door u te verzetten tegen hem, wiens macht u allen kan verpletteren. Bedenkt, dat Utrecht, het geheele Sticht, door zijn wapenen overweldigd zijn. Het ware noodeloos het u langer te ontveinzen; eer twee dagen om zijn, zal dit land met Hollandsche wapenknechten overdekt wezen, tenzij gij u onderwerpt. Staat af van uw rasch besluit! — Legt de wapens af en zendt woorden van onderwerping en vrede. Zoo alleen kunt gij den storm afweren, die anders geweldig op uwe kusten woeden zal."

En als wilde de natuur zijn overdrachtelijke spreekwijze metterdaad bevestigen, een donderslag deed zich in de verte hooren.

„De storml" zeide Adeelen: —„daarkomt hij al; maar wij hebben dien niet te vreezen. — Friezen! gij hebt hem gehoord: welk lot hebben wij bepaald dat hem beschoren zoude wezen, die van Graaf Willem tot ons kwam?"

„De dood!" riepen schier al de leden der vergadering als uit éénen mond.

„Gij hoort het!" zeide Adeelen: „uw dood is bepaald! — Hier knapen! knevelt hem, en hangt hem naast meester Claes Gerritsz."

Deze woorden verwekten geene geringe opschudding in de zaal.

Sluiten