Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogelijk herwaarts te begeven en hier de tijding te brengen dat de vloot, welke te Dordrecht werd uitgerust, niet, zooals men algemeen dacht, naar de Fransche kusten bestemd was, maar tot overweldiging van Friesland dienen moest: dat zij reeds langs de binnenwateren kwam aanzeilen; terwijl één vaartuig zou vooruitgaan om Stavoren te bedwingen. De monnik kwam met een Workummer visscher herwaarts. Onderweg stevenden zij een vaartuig voorbij, dat aan den

frond zat en met bier beladen was: zij kregen vermoeden, dat dit et bewuste schip zoude wezen." _

„Inderdaad!" zeide Deodaat: „hij heeft wèl geraden."

„Welnu! de monnik kwam hier en vond er Adeelen, Cammingha, mij, en een paar andere Edelen, die juist gekomen waren om de middelen van tegenweer te onderzoeken, die de stad kon aanbieden. Hy deelde ons den aanslag mede. Terstond werden er boden uitgezonden naar alle kanten. De Abten van Lidlum en Bloemkamp,die hun monniken meer met den wapenhandel dan met gebeden kwellen, en verscheidene Edelen kwamen terstond hier. Ik moet ter eere van Adeelen zeggen, dat zijn beschikkingen verstandig waren. Hij gelastte, dat men het Amsterdammer vaartuig zou laten binnenkomen en voorts prijsmaken; dit laatste ware ook gebeurd, indien men terstond gewapend volk genoeg gehad had en indien het gemeen, dat door den Workummer intusschen onderricht was van de toedracht der zaak, niet naar de haven was ^eloopen, waardoor uwe manschap het gevaar, dat zij liep, heelt kunnen bemerken, en zich daaraan onttrekken."

Hier kwam een bode binnen en berichtte aan Reinout, dat Adeelen hem wachtte.

„Welaan!" zeide deze: „ik moet u verlaten. Wie had ooit gedacht," vervolgde hij met een zucht, nadat de bode vertrokken was, „toen wij dien Fries uit de handen van de Haarlemmers verlosten, en ik zoo vertoornd op hem was, dat ik eenmaal, in de plaats van Graaf Willems bevelen, de zijne zou volgen ?"

„Ik geloof," zeide Deodaat, „dat hij meer moeite zal hebben om zich door zijn volgelingen te doen gehoorzamen dan onze Graaf."

„Ik moet mijn oordeel opschorten," zeide Reinout, de schouders ophalende: „alles gaat hier zoo zonderling en vreemd in 't werk: — dit is zeker, dat Adeelen hier te Stavoren als meester heerscbt. Het gemeen, dat alles behalve Hollandschgezind is, heeft zijn komst dadelijk gevierd met de plundering van een paar rijke kooplieden, wier getrouwheid aan vermoedens onderhevig was, met het afzetten van ae vroedschap, en het ophangen van onzen armen Claes Gerritsz: — de man is zich zelf gelijk gebleven, tot zoolang hij begon te merken, dat zijn leven er mede gemoeid was: toen heeft hij van zijn Privileges, waar hij te voren den mond van vol had, op eens

fezwegen, en is bitter begonnen te kermen en het uur te vervloeen, dat hij zijn marktschrijverschap te Haarlem vaarwelgezegd had. — Maar het wordt mgn tijd! — Vaarwel! — Ik moet van hier."

Hier drukten de beide vrienden elkander nogmaals de hand en Reinout verliet het vertrek, Deodaat ter prooi latende aan duizend

Sluiten