Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Neef!" riep hem Willem toe, terwijl de stuurlieden de schepen eenigszins nader bjj elkander brachten, om het gesprek tusschen de twee aanzienlijke passagiers gemakkelijker te maken.

.Uwe Genade heeft te veel goedheid," zeide de Bisschop, zich half opheffende met de achtelooze loomheid eener half slapende kokette: „ik had wel gewenscht uwe Genade meer naar verdienste te kunnen behandelen."

.Men vindt er bewonderenswaardige dingen in, vervolgde Willem, hem veelbeduidend aanziende; „dingen, die men er niet zou verwachten. Die drinkhoorn vooral, die voor ons bestemd is, is allervreemdst en de inhoud heeft ons verrast. ..

't Zij dat de Bisschop aan het geval volkomen onschuldig, t zij dat hij op alles gewapend ware, de etien kalmte van zijn trekken onderging geene de minste verandering, en hij sloeg de oogen niet neder voor den scherpen blik des Graven: „ik had gelast," antwoordde hg, op een Hauwen toon, „dat men hem met Spaanschen wijn zou vullen, die, gelijk mij verzekerd werd, met tweebak genuttigd, een uitmuntend voorbehoedmiddel is tegen zeeziekte. Ik had er ook wel van mogen nemen; want, niettegenstaande het slechte water voel ik mij geheel niet op mijn gemak, en het is niet de geringste opoffering, welke ik aan uwe Genade doe, dat ik mij op zee begeef, waar ik een tegenzin in heb." j • .

Dit gezegd hebbende, voegde hij de daad bij de woorden, en zien omwendende, zakte hij in zijn kussens neer.

„Nu ben ik even wijs," dacht Willem, terwijl hij ontevreden terugging en het dek op en neer wandelde. „Maar kom! die grillen uit het hoofd gezet. Waar is de kaart van Friesland ?(— Mi]ne Heeren! wij zullen ons plan van landing nog eens nazien.

Binnen weinige oogenblikken was hij met Walcourt, Teyhngen en eenige andere vertrouwelingen, die op zijn vaartuig voeren, in het paviljoen gezeten en zocht hij, door het belangrijke onderwerp van hun gesprek, de heimelijke zorg die hem kwelde te verzetten. ieder oogenblik liet hij aan den schipper vragen, hoe laat men aan wal zou wezen: waarop dan altijd het antwoord was, dat zulks aan God alleen bekend was; maar dat, zoo de wind niet voordeehger werd, men genoodzaakt zou zijn, dien nacht een ankerplaats te zoeken: daar men sedert de twee laatste gangen meer achter- dan vooruitgegaan was

„Ik heb het al gevreesd," — zeide de Graaf, wrevelig met de vuist op tafel slaande, toen hem dit antwoord voor de vijfde maal gebracht werd: — „wanneer zal men eena vaartuigen uitvinden, die niet van den wind afhangen?" , , _.± , ..... .,

Walcourt wilde juist antwoorden, dat dit wel een onmogelijkheid zijn zou; maar een plotselinge ongesteldheid, die hem overkwam, noodzaakte hem naar buiten te gaan: en weldra zagen Teylingen en Naaldwijk zich gedwongen, zijn voorbeeld te volgen.

„Bij Sint-Japik!" zeide de Graaf: „daar zijn er al drie, die wegloopen zonder verlof te vragen: het schijnt, dat aan boord de Graaf en zjpi leenmannen gelijk zijn: — en men moet bekennen, dat wg moot

Sluiten