Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheef gaan en aardig stooten. — Waar duivel is die Spaansche wijn, waar de Bisschop van sprak?"

Met; de» woorden trad hij naar het dressoir toe; maar op het oogenblik dat hij de hand naar een drinkkan uitstrekte, kreeg het schip een golf in den boeg, die het fraaie kunststuk, het onderst boven sloeg.

„Daar ligt de gansche Bisschoppelijke weelde," zeide Willem, het oog slaande op den gevallen toestel, en op den wijn, die door elkander vloeide, „en wij zouden waarachtig gevaar kunnen loopen, aan boord te verzuipen, zoo met in zeewater, dan in druivennat: — dat ware een andere dood, dan dien mij de zwarte Reinout voorspelde!.... nogal dat noodlottige orakel: — zal ik het dan niet uit mijn geest kunnen bannen?" J ö

Hij plaatste zich nu bij het roer en zag rond; het was nog altijd een belangrijk en fraai schouwspel, die geheele vloot met den tegen6 ?len worstelen; maar de schepen leverden niet meer de schitterende vertooning op van des morgens. In het laatste uur waren meest alle banieren en wimpels binnengehaald, en men zag geene blinkende harnassen noch golvende pluimen meer. De gewapenden streden meest allen met dien onweerstaanbaren vijand, de zeeziekte, en lagen op het dek uitgestrekt.

Langzamerhand echter begon de wind te minderen: en tegen den namiddag werd het stil, zoodat men alle zeilen bij moest zetten om slechts een nauw zuchtje, dat nu uit het noordwesten woei, te kunnen opvangen en alzoo met halfwind voort te komen. Nu keerden de moed en de eetlust bij velen, en de Graaf had juist lastgegeven, dat men de omgestorte kannen weder vullen zoude, toen men in 't verschiet een schip ontwaarde, dat op de vloot aanhield en weldra bijdraaide. Het was de bierhaalder, waarmede Deodaat naar Stavoren was gezeild, en die nu van den mislukten tocht terugkwam. Krijn Jansz vervoegde zich terstond aan boord van des Graven schip.

„ Welnu! zeide deze, zoodra de schipper voor hem in het paviljoen stond: „wat hebt gij ons te melden? Is het kasteel van Stavoren al onder het bedwang van onzen vriend Deodaat?"

Krijn Jansz haalde de schouders op en verhaalde hetgeen den lezer bekend is nopens den ongelukkigen uitslag zijner onderneming.

„bij oint-Japik! zeide de Graaf, hem halverwege in de rede vallende: „dat is fout! — Intussehen, die Friezen beloven ons een genoegen, waar wij ons niet mede hadden durven vleien, en wij zullen althans eenige eer behalen; want er zal weerstand zijn. Maar

„yo'k dat met u was, zit dat nog onder uwe vaten ?"

«Ziedaar, wat ik uwe Genade wilde verhalen," zeide Krijn Jansz. { e twee schildknapen van den Ridder waren maar gansch niet in iiun schik, dat zij hem dus in de macht der Friezen zouden laten zonder weerwraak te nemen. Een van hen, de kleinste, is aan wal' gebleven, om te zien waar men zijn meester heenvoerde, en hem zoo mogelijk, te verlossen. Wat den anderen betreft, dien heb ik nadat wij Stavoren verlieten, met zijn volk in een Makkummer schuit overgezet, die wij in zee overrompeld hebben. Zij zouden zich

Sluiten