Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was bedaard: slechts enkele dunne, waterlnoze wolkjes dreven als sneeuwvlokken door het blauwe zwerk. De oppervlakte der zee was stil geworden; maar het dof gegons der wateren verkondigde nog, hoezeer zij door het geweld van aen storm was beroerd geweest. De natuur was kalm en liefelijk: en had niet het oorverdoovend geweld van den strijd, die aan de andere zijde woedde, alle gedachten aan rustige genieting verbannen, Deodaat zou nog lang met wellust op den heerlijken sterrenhemel en op die sombere zee daaronder zijn blijven staren. Maar zijn ziel was te bezig met den kamp, die in het klooster gevoerd werd, dan dat hij zich den tijd kon gunnen, langer naar deze zijde uit te kijken.

„Spoedig, Zweder!" zeide hij, „laat ons zoeken, of er geen ander venster is, waaruit wij iets van het gevecht kunnen bespeuren.

.Een oogenblik!" zeide de knaap, terwijl hij de lantarens binnenhaalde: „hier is iets, dat ons misschien zal kunnen dienen: men moet in onze omstandigheden niets verzuimen." — Dit zeggende, maakte hij een eind touw los, dat aan de lantarens vastzat, en door een katrol lieg, welke aan hot einde van den uitgestoken steak hing en bond het zich om het lijf.

„Ziezoo!" zeide hij, „nu hebben wij licht, en een touw; dat zijn reeds twee zaken, welke, wanneer men hoog en in 't donker zit, van dienst kunnen wezen. Laat ons nu dezen kant uitzien."

Dit zeggende, opende hij het luik van het andere venster: en beiden zagen uit. — Welk een geheel onderscheiden tooneel deed zich hier aan hun oogen voor! Aan de andere zijde de aanblik der Btille natuur: aan deze, die van den oorlog in znn schrikkelijkste gedaante.

In de eerste oogenblikken was het echter voor Deodaat en Zweder, die met uitgestrekte halzen buiten het raam lagen, moeilijk iets met juistheid te onderscheiden. De kerk zoowel als ae drie overige zijden van het gebouw stonden in lichterlaaie: en de rook, die van alle kanten in breede wolken opsteeg, bedekte al wat beneden was met een dikken nevel. Het scheen beiden toe, als zagen zij in een ziedenden ketel, of liever in den gapenden krater van een vlammenspuwenden berg. Maar toen de wind, die van den zeekant woei, de rookwolken voor een oogenblik van een scheidde en als uitgerolde wimpels over de landtong heen deed zwaaien, ontdekten zij de kloosterlingen, die in een breeden kring op het binnenplein bijeenverzameld stonden en zich met een hardnekkigen moed verweerden tegen de krijgsknechten, die hen van alle zijden bestookten. In het midden van de jongere broeders en conversen, stonden de grijsaards en zwakken, met schorre kelen doch met een prijzenswaardige gelatenheid den psalm zingende: quare fremuerunt gentes; ofschoon de rook, die hun in de keel vloog, hen nu en dan dwong, het lied te staken en met een benauwd gekuch te verwisselen.

„Mg dunkt, zeide Deodaat, „die monniken vechten als leeuwen: gü hadt gezegd, zij zonden zich niet lang meer verdedigen; maar, naar het nuj voorkomt, staat de kans vrij ongelijk en kunnen zij blijven

Sluiten